Bestuivers

Hoe bloemen fluisteren en vleugels antwoorden

Wie zich laat meenemen door het bloemrijke landschap, raakt bekend met zacht gezoem. In elke berm, elk veld, elke ruigte speelt zich een eeuwenoude samenwerking af. Bloemen en bestuivers vormen een onlosmakelijk verbond dat het landschap draagt. Veel planten zijn volledig afhankelijk van specifieke insecten om zich voort te planten. Het ecosysteem leeft door een netwerk van relaties.

Elke bloem vertelt een verhaal. Elke bij draagt een stukje natuur met zich mee. Wanneer een bij van bloem naar bloem vliegt, verbindt zij planten met elkaar door het genetisch materiaal dat aan haar lijf blijft kleven. Zo draagt ieder insect een stuifmeelklompje bij om de biodiversiteit in stand te houden.

Bestuivers zijn meer dan bijen. Zweefvliegen, kevers, vlinders, zelfs vleermuizen, allemaal hebben ze hun eigen voorkeuren, hun eigen strategieën.

Micaplatvoetje‑zweefvlieg bij ruig klokje.

Bloemen zijn ingenieurs van het leven. Ze bestaan uit kelkbladen, kroonbladen, meeldraden en stampers. Dit zijn allemaal onderdelen die samen een ingenieus mechanisme vormen dat bestuivers aantrekt. Hun vorm is het resultaat van miljoenen jaren aan co‑evolutie met het insectenrijk.

Bestuivers gebruiken meer dan kleur, geur en vorm om bloemen te vinden. Hommels en honingbijen kunnen zelfs de elektrische lading van een bloem waarnemen. Tijdens het vliegen worden ze positief geladen, terwijl bloemen meestal een lichte negatieve lading dragen. Wanneer een bij op een bloem landt, verandert dat elektrische veld heel subtiel. Andere bijen kunnen die verandering voelen via hun fijne beharing en antennes. Zo weten ze of een bloem recent bezocht is en waarschijnlijk minder nectar bevat. Het is een verborgen signaal die bestuivers helpt efficiënter te foerageren.

Kleur, geur en structuur zijn geen toeval meer. Bijen zien geen rode kleur, maar wel ultraviolet. Voor hen vormen bloemen een landingsbaan vol met voor ons verborgen kleurpatronen. Dit begon allemaal met een stukje toeval en een ongelukje hier en daar in de ontwikkeling van een plantje. Het rijk der bloemen is tegenwoordig een succesvolle overlevingsstrategie geworden van de plant. Zo lokt de felgele paardenbloem veel bijen, de buisvormige bloemen van smeerwortel zijn vooral afgestemd op hommels met lange tongen en zo biedt de kattenstaart juist een open structuur die weer andere hommels aantrekt.

Boomhommel op gewone smeerwortel.

Allerlei bloemen veranderen met de tijd van geslachtelijke fase om kruisbestuiving te bevorderen. Dit noemen we protandrisch: de bloemdelen zijn eerst mannelijk en dan vrouwelijk. De zwanenbloem (Butomus umbellatus) doet dat: eerst rijpen de meeldraden, later de stampers. Zo voorkomt de plant zelfbestuiving en vergroot zij de genetische variatie. Maar er zijn veel soorten die dit doen: paardenbloem (Taraxacum officinale), waterlelie (Nymphaea alba), duizendknoop (Persicaria spp.), ooievaarsbek (Geranium spp.), wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) en gewone smeerwortel (Symphytum officinale).

De grote kattenstaart (Lythrum salicaria) werkt anders dan bloemen die van geslachtelijke fase wisselen. Zij speelt met drie bloemvormen. Een strategie genaamd tristylie. Drie bloemvormen, elk met een eigen verhouding tussen meeldraden en stamper. Het verschil is klein en bijna verborgen, maar voor insecten precies genoeg om kruisbestuiving af te dwingen. Wie naar een bloeiende pluim kijkt, ziet alleen dat sommige delen al open zijn en andere nog wachten. Dit mechanisme ter bevordering van kruisbestuiving zit tussen planten onderling. Elke plant draagt maar één van de drie vormen. Pas wanneer je bloemen van verschillende planten naast elkaar bekijkt, zie je hoe subtiel de verhoudingen verschuiven. Een stille strategie, nauwelijks zichtbaar voor ons, maar effectief.

Kort- en langstijlige vormen van grote kattenstaart.

Nectar is vermoedelijk geen geschenk uit bewuste liefdadigheid van de plant. Het is weldegelijk een investering. Planten stoppen energie in nectarproductie omdat het bestuivers aantrekt die hun voortplanting garanderen.

Nectariën, de klieren die nectar afscheiden, kunnen op verschillende plekken zitten: op kroonbladen, meeldraden, kelkbladen, vruchtbeginsels. Bij lindebomen (Tilia) zitten ze op de kelkbladen, bij winterakoniet (Eranthis hyemalis) op de kroonbladen. De plaatsing is altijd strategisch. Bestuivers moeten langs meeldraden of een stamper kruipen om bij de nectar te komen. Voedsel voor de insecten en de verzegeling van voortplanting van planten worden zo aan elkaar gekoppeld.

Een nectarium scheidt een waterige, suikerrijke vloeistof af: sucrose, glucose, fructose, aminozuren, mineralen, soms zelfs eiwitten of geurstoffen. De samenstelling van de nectar verschilt per plantensoort: witte honingklaver (Melilotus albus) produceert bijvoorbeeld nectar met veel saccharose, ideaal voor honingbijen; kruisbloemen (Brassicaceae) bieden vooral glucose en fructose.

Wesp op witte honingklaver.

Glucose en fructose zijn enkelvoudige suikers. Sacharose bestaat uit beide, aan elkaar gekoppeld. Wanneer een insect nectar opneemt, breken enzymen in de mond of in de krop deze verbinding open. Zo ontstaat weer losse glucose en fructose, direct bruikbaar als snelle energie. Niet alle bestuivers kunnen sacharose even goed verwerken. Bijen, hommels en wespen beschikken over invertase‑achtige enzymen die de suiker al tijdens het drinken splitsen in glucose en fructose, snelle energie voor hun hoge tempo. Veel vliegen en kevers missen die kracht en verkiezen nectar waarin de suikers al los aanwezig zijn als fructose of glucose. Vlinders kunnen het wel, maar traag. Zo bepaalt ook de chemie van nectar wie er komt drinken en wie verder zoekt naar een bron die beter past bij zijn enzymen.

Distelvlinder op distels – Ongespecifieerde bestuiversoort op Koninginnekruid

Zeer intrigerend zijn nectariën die buiten de bloem zitten. Extraflorale nectariën noemen we deze en die komen voor op bladstelen, bladranden, steunblaadjes, jonge stengels, schutbladeren, vruchtbeginsels, bloeistengels: bijna overal, behalve in de bloem. Dit heeft een ander nut, want dit dient ter zelfbescherming. Extraflorale nectar lokt mieren en andere insecten die als wederdienst voor de plant diens herbivoren verjagen of opvreten.

Extraflorale nectariën vind je in Nederland bijvoorbeeld op zoete kers (Prunus avium), gewone vogelkers (Prunus padus) en laurierkers (Prunus laurocerasus). Daar vind je ze aan de bovenkant van de bladsteel als kleine rood‑ of groengekleurde klieren. Ook wikke‑soorten (Vicia) dragen extraflorale nectariën, zichtbaar als donkere vlekjes op de steunblaadjes. En bij gewone vlier (Sambucus nigra) komen nectariën voor op jonge stengels en bladstelen. Een geurende uitnodiging aan mieren die de plant op hun beurt beschermen.

Extraflorale nectariën op gewone vogelkers

De klassieke, florale functie van nectar is anders: het is een beloning die bestuivers aanzet tot bezoek, zodat de plant haar pollen kan verspreiden of ontvangen. Stuifmeel is een synoniem voor pollen. Pollen is de wetenschappelijk gangbare term en de Engelse term. Het is de mannelijke gametofyt: een levend pakketje genetisch materiaal. Elke plantensoort heeft stuifmeel met een uniek uiterlijk. Zo is het stuifmeel bijvoorbeeld stekelig bij gele plomp (Nuphar lutea) en netvormig bij zwanenbloem. En zo zijn er nog vele verschijningsvormen.

Veel insecten maken gebruik van stuifmeel, maar niet allemaal op dezelfde manier. Bijen zijn de grootste stuifmeelverzamelaars: zij voeren het als eiwitbron aan hun larven en nemen zelf kleine hoeveelheden op. Zweefvliegen eten stuifmeel rechtstreeks in de bloem, net als veel bloemkevers. Vlinders leven vooral van nectar, maar sommige soorten nemen toch wat stuifmeel op. Wespen likken soms stuifmeel voor extra eiwitten. Zo vormt stuifmeel voor veel insecten een belangrijke voedingsbron, terwijl ze tegelijkertijd het transport verzorgen dat planten nodig hebben voor bestuiving.

Windbestuivers, zoals hazelaar (Corylus avellana) en haagbeuk (Carpinus betulus), produceren miljoenen korrels om hun kansen te vergroten. Insectenbestuivers werken preciezer, zoals de hommels op de kaardebollen. Hun pluizige lijfjes verzamelen stuifmeel alsof het goudstof is. Hommels zijn echte goudzoekers: ze eten het, voeren het aan hun larven en gebruiken hun trillingsvermogen om zelfs het meest hardnekkige stuifmeel los te krijgen.

Aardhommel op grote kaardebol & hommel op kleine kaardebol

Bloemvastheid zorgt ervoor dat bestuivers tijdens één vlucht slechts één soort bezoeken, waardoor stuifmeel gericht wordt overgebracht. Ook dit is een effectief staaltje ecosysteemfunctionering.

Zonder bestuivers zouden veel planten verdwijnen. Zonder bloemen hebben bestuivers geen voedsel. Vroege bloeiers zoals wilgen (Salix sp.) zijn bijvoorbeeld cruciaal voor bestuivers in het voorjaar. Bestuiving beïnvloedt voedselproductie, biodiversiteit en de gezondheid van natuurlijke habitats. Het is de zoemende motor die de natuur draaiende houdt. Planten en bestuivers vormen samen een dynamisch netwerk. Wanneer één schakel verzwakt, heeft dat gevolgen voor talloze soorten. Het systeem is kwetsbaar en fascinerend. Wie goed kijkt, ziet dat elke bloem een verhaal vertelt. En dat elke bestuiver dat verhaal verder draagt.

kleine rode weekschild op wilde peen.