Gewone doodgraver

“Wie is de mol?”

 gewone doodgraver 2 - kopie

 

gewone doodgraver (Nicrophorus vespilloides)

 

De dood. Een essentieel aspect in de natuur. De een zijn dood, de ander zijn brood.  De meeste organismes in de natuur zijn op zoek naar het leven. Sommigen zijn op zoek naar de dood. Luguber als het lijkt; niets is minder waar. De dood is het begin van nieuwe vreugde en nieuw leven.

Als we naar het dieet kijken, dan kunnen we dieren onderscheiden die onder aaseters geschaard kunnen worden. Deze groep hoeft zich niet te specialiseren op jachttechnieken, maar eerder op traceertechnieken.

Zoals haaien gespecialiseerd zijn op het ruiken van bloed op grote afstand, zo zijn aaseters gespecialiseerd op het waarnemen (meestal ruiken) van dode dieren op grote afstand en hierbij inclusief hun staat van ontbinding. Deze staat van ontbinding kan vaak van belang zijn voor de aantrekkelijkheid van dit aas. In de Nederlandse Noordzee komen overigens ook haaien voor die tevens dode dieren eten. De grondhaaien (Carcharhiniforme) in de Noordzee zoeken kleine mariene zeevruchten op de zeebodem en peuzelen ook wat dode diertjes mee naar binnen.

Zo zijn aaseters in diverse diergroepen aanwezig en is de vordering van de staat van ontbinding bepalend voor welke diertjes aan het lijk knabbelen. Dit geldt eveneens voor het schimmelrijk. Een boom dat dood in het bos staat wordt in een bepaalde volgorde, in successie, verteerd door verschillende schimmelsoorten. Hierbij is tevens van belang welke boomsoort het betreft. Wanneer de boom omvalt ontstaan er ook weer kansen voor wederom andere schimmelsoorten. De natuur is een zelfregulerend systeem dat goed functioneert dankzij de vele diverse organismen die elk een belangrijke schakel in de levenscycli of de ketting des doods vormen.

Wanneer een organisme de pijp uit gaat wordt er een geheel nieuwe proces in het leven geroepen. Elke mol (Talpa europaea) zal ooit een dode graver worden, zoals hieronder.

mol klein 1 - kopie

dode mol

Zo’n dode mol wordt niet sinds mensenheugenis door een doodgraver netjes begraven op een begraafplaats. Het is de natuur die stap voor stap zijn ingrediënten verdeeld over geïnteresseerden. In Nederland vindt de vos (Vulpes vulpes) het niet verkeerd om hieraan te gaan eten. Kauwtjes (Corbus monedula) en zwarte kraaien (Corvus coron) pikken graag hun graantje mee uit de wondjes. Ook de gewone wesp (Vespula vulgaris) zal, als een ander dier de vacht open heeft getrokken, vleesballetjes meenemen voor hun vleesetende larven in de graten. Als het lijk van het meeste vlees is ontdaan zijn er nog bepaalde kevertjes, gieren of honden die de botten ook nog lekker vinden.

Wanneer u een dood huisdier in huis zal laten liggen, zal deze ook langzaam verorbert worden door de natuur, zoals bijvoorbeeld door de huisspitsmuis (Crocidura russula) of door zo’n grote groene bromvlieg, de aasvlieg (Protophormia terraenovae) die trouwens al at van dode mammoeten.

En natuurlijk vinden we ook dode dieren in het water.

Amerikaanse nerts klein

dode Amerikaanse nerts / mink (Neovison vison)

 

In het water zijn garnalen aasdieren, ook krabben zijn aasdieren, ratten en ook allerlei kleine visjes vreten graag het zachtwordende vlees van een dode vis weg.

brasemklein

dode Brasem

krab klein

krab

 

In Nederland kennen wij de doodgraver als de beroepsbeoefenaar der grafdelver, ofwel diegene die met de spade op zijn rug voor de lijkkist uit liep, het graf maakt en vervolgens ook weer dicht. De doodgravers waren mensen die dikwijls verplicht waren hun begraafplaatsen en ‘t plantsoen eromheen in goede staat te onderhouden, de eventueel aanwezige heggen te scheren, bomen te snoeien en het gras te maaien. Tevens dienden zij uiteraard lijken te begraven en de graven netjes te dichten en ook eventueel behulpzaam te zijn bepaalde lijken weer op te graven indien het kerkbestuur van een kerkhof hierom vroeg.  Dit kan zijn voor onderzoek, of voor het verplaatsen van de nog aanwezige botten naar de zogenaamde knekelput. De doodgravers hielden de dodenregisters zorgvuldig bij en zorgden dat het duidelijk was waar wie begraven was. Dit beroep is al eeuwenoud en wordt nog steeds beoefend met inmiddels wellicht een wat aangepast takenprofiel dan het hierboven beschreven ouderwetse beroepsprofiel.

In de Nederlandse natuur vinden we doodgravers die de lijken met een ander doel begraven dan eervolle nagedachtenis. Deze doodgravers hebben vooral voor ogen om de lijken op te gaan dienen aan hun kinderen. We hebben het over aasetende doodgravers.

De gewone doodgraver is een flinke kever van een ruime 2cm lang. De kever is zwart en heeft twee oranje dwarsbanden over de vleugels die op de rug zichtbaar zijn. De verschillende soorten doodgravers in Nederland onderscheiden zich o.a. door de vorm van deze oranje dwarsbanden ofwel door het ontbreken ervan. De krompootdoodgraver is een flinke kever tot 3cm lang. De krompootdoodgraver wordt óók wel de gewone doodgraver genoemd. Echter worden de krompootdoodgravers onderscheiden van de gewone doodgravers, waarbij de krompootdoodgraver de soort met een oranje uiteinde op zijn antennes is en de gewone doodgraver de soort met een zwart antenne-uiteinde is.  Ze vallen allen onder de familie aaskevers (Silphidae). De vrouwtjes zijn behaarder van onderen dan de mannetjes.

De gewone doodgraver en de krompootdoodgraver zijn beide behoorlijke algemeen in Nederland. Wanneer u één van beide soorten ziet zult u zeer waarschijnlijk getrakteerd worden op zicht op het tafereel waar ze bekend om staan. Het tafereel ziet er uit als een vrolijke en feestelijke, vulgaire orgie met necrofiele trekjes. U zult vele kevertjes druk heen en weer zien lopen rondom een lijkje van bijvoorbeeld een muisje of een vogeltje. Ze kruipen eroverheen en eronderdoor, luid schreeuwend en joelend met krijsende geluidjes terwijl er af en toe links en rechts erop los gepaard lijkt te worden of er wat klappen uitgedeeld worden. Tegelijkertijd schuiven zij het lijkje langzaam naar een voor hen geschikte plek om het te gaan begraven.

Voorafgaand deze feestelijke groepsactiviteit verloopt het proces als volgt. De mannetjes sporen over het algemeen een kadaver op dat zij van minstens honderd meter afstand al kunnen ruiken. Wanneer het mannetje bij zo’n kadaver is aangekomen, dan steekt hij zijn achterlijf in de lucht en verspreidt zijn kontgeur. De vrouwtjes vinden dit zeer aantrekkelijk en komen als de wiedeweerga aanzetten. Vaak komt er ook nog wel een mannetje aanzetten. Vervolgens gaan de aangekomen doodgravers het lijkje verplaatsen naar een geschikt zacht stukje grond om het graf te graven. Het komt erop neer dat meestal twee mannetjes en één vrouwtje samenwerken per aas. De overige doodgravers die aan komen zetten worden verjaagd.

Na afloop van de ingraving wordt eerst het ene mannetje verjaagd, waarna het overige mannetje mag paren met het vrouwtje. Soms zijn het gehele groepen die samenwerken bij het schuif en graafproces, waarbij na afloop van dit proces het sterkste koppel de overige doodgravers bij het kadaver wegjagen. Soms is er wat onduidelijkheid in wie wat moet doen en dan ontstaat het vreemde, maar feestelijk ogende en klinkende tafereel zoals eerder beschreven.

Het kadavertje wordt begraven door de grond onder het beestje steeds verder weg te graven. De doodgravers voeden zich tussendoor ook van overige kleine beestjes die het ook gemunt hebben op datzelfde kadavertje. Vaak bestaat het voorspel van de doodgraversparing uit het villen van het kadaver. Wanneer het kadaver gevild is zal er gepaard worden.  Vervolgens zal het vrouwtje het mannetje verjagen en het kadaver ondergronds klaarmaken om in gebruik te nemen voor het nageslacht. Soms slaan ze het voorspel over en doet het vrouwtje het villen ook zelf.

Ter voorbereiding op de komst van het nieuwe kroost bijt zij de botjes door van het kadavertje, maakt ze alvast wat openingen in het lichaam en bewerkt ze het aas door erin te kotsen, zodat het vlees wat zachter wordt, lekker gaat rotten en er dus alvast een lekkere “kookgeur” ontstaat in huis wanneer de kinderen geboren worden…

Het vrouwtje graaft een boogvormig gangetje in de grond richting het kadaver. In dit gangetje legt zij ruim twintig eitjes. Het vrouwtje verdrijft haar tijd in het kadaver voordat de eitjes uitkomen. Dit duurt ongeveer 5 dagen. Als de larfjes uit de eitjes kruipen zal het vrouwtje dit opmerken en de larfjes met tjirpende geluidjes roepen voor het eten. De tjirpende geluidjes worden geproduceerd middels stridulatie. Stridulatie is het produceren van deze tjirpende geluidjes d.m.v. het over elkaar heen schuiven van lichaamsdelen. Als de larfjes enthousiast aan komen kruipen worden zij door het vrouwtje een warm welkom geheten en zal zij bij wijze van welkomstgeschenk elk larfje in de bek braken… Bedankt.

Eerst blijft de moeder de larfjes nog even voeren, daarna gaan de larfjes zelf eten van het kadaver en eventueel van andere bezoekertjes van het aas zoals vliegenmaden. Na elke vervelling voert de moeder de larfjes weer eventjes. Dit proces duurt maar een week. In die week waakt de moeder over haar kroost. Na die week zullen de larfjes zich gaan verpoppen. Het popstadium duurt twee weken.

Na de verpopping zijn er zo’n 20 nieuwe doodgravers in kevervorm geboren en weer klaar voor het opruimen van dode wezentjes in het bos, de duinen of heidevelden. Over het algemeen zijn deze voortplantingsactiviteiten in de lente en zomer aan de gang.

Hopelijk heeft u van dit tikkie lugubere verhaaltje wel geleerd dat bij het doodgaan van een leven, nieuw leven ontstaat. Hiermee wordt de symboliek van de dood onderbouwd. De dood, als symboliek van afsluiting & ruimte voor een nieuw begin, maakt de dood eigenlijk best een hoopvol symbool voor het leven.

De zwarte kleding van een doodgraver wekt vaak droefenis op bij de mens. Maar de kleur zwart is het enige uitgangspunt waaruit elk lichtpuntje ten volste beleefd kan worden.