“Van wolwasserij tot konthaarverzamelaar”
Bezemkruiskruid – Senecio inaequidens (Narrow -leaved Ragwort)
Ver voordat het spinnenwiel en het weefgetouw de wereld veroverden bestond er al het zogenaamde wolvilt en maakte de mensheid al dankbaar gebruik van wol. Wol wordt al duizenden jaren gebruikt door de mensheid. Europa hield zich vroeger lange tijd bezig met schapenfokkerij. In de 18e eeuw kwam hier verandering in. Wol werd vanaf deze tijd voornamelijk geïmporteerd door Europa uit Zuid-Afrika, Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. In Europa werd de ruwe geïmporteerde wol verder verwerkt tot o.a. textiel.
Enkel schapenwol mag de pure naam ‘wol’ dragen. Het bijzondere aan wol is de enorme warmte-isolatie, het geeft de beste isolatie van alle textielvezels doordat er zoveel lucht in de stof gevangen zit. Wol neutraliseert zweetgeuren, rookgeuren en voedselgeuren. Wol kreukelt bijna niet, neemt ook zelden vuil op en kan zelf leuk gebreid worden. Het is dus niet gek dat wol al eeuwenlang zo populair is. U kunt wol o.a. in sjaals, mutsen, zweetbandjes, truien en sokken verwerken en helpt u de winter door. Tegenwoordig wordt in Duitsland 3 miljoen ton wol verwerkt, die in totaal door 1.500.000.000 schapen gegeven word. Ook in Nederland en België wordt wol geïmporteerd.
Op een dag ergens tussen 1920 en 1939 werd zoals gebruikelijk wol gebracht naar het altijd vrolijke landschap van België. De Belgische medewerkers van een wolwasserij in Luik (Verviers) hadden toen niet door dat er iets bijzonders gaande was. Het wol dat door hun handen ging, was door schaapjes van de rotsige berghellingen van Oost-Zuid-Afrika doorgegeven. Ergens in de wol zaten kleine en bijzondere zaadjes verstopt. Dit waren zaadjes die via wollig gekleurde haarpluimpjes de schapenhuid op waren gevlogen. De Belgische medewerker van de wolwasserij waste het wol in de Maas. Het zaad dobberde weg door de Maas en zo arriveerde het Bezemkruiskruid in Europa.
Dit was het begin van een bijzonder verhaal. Via deze wolwasserij volgden meer Bezemkruiskruidzaadjes die in de Maas terecht kwamen. Via de afstroming richting Nederland kwam het zaad van het Bezemkruiskruid op oevers in de Maasvallei in België tot aan het Nederlandse Maastricht terecht. Toevallig groeide het Bezemkruiskruid in Zuid-Afrika ook op ondiepe beekbodems waardoor deze stranding van de zaadjes op oevers kon leiden tot kieming van het zaad. Zo veroverde Bezemkruiskruid als een échte pionier nieuw grondgebied.
In die tijd was Duitsland ook al ijverig in de weer met wol. Vanuit Duitsland liep het Bezemkruidkruid zijn parallelle veroveringstraject. Bremen en het Roergebied boden de achteringang van Europa aan dit kruid. Argentinië was de ingang van Zuid-Amerika en Zuid-Australië was de ingang van Australië voor onze bezem. Deze naam is overigens te danken aan zijn uiterlijk van de vele lange dunne lijnvormige blaadjes die het plantje een soort van stoffer-achtig uiterlijk geeft.
In Argentinië en Australië heeft Bezemkruiskruid niet veel geluk gevonden. Vanuit de twee deuren tot Europa, Duitsland en België, ontsprong een succesvollere tocht. Nadat de zaadjes in Maastricht terecht waren gekomen en hier tot plantjes uitgroeiden bedacht de volgende generatie een nieuw plan: ‘Expeditie trein’. Via de trein heeft Bezemkruiskruid zich vervolgens verspreidt over Nederland en vanuit Duitsland heeft hij ook de trein gepakt richting de rest van Europa. Aangezien Bezemkruiskruid afstamt van rotsige hellingen bleken de nieuwe standplaatsen langs het spoor genoeg vergelijkbare factoren te hebben om hier te kunnen overleven. Vanuit deze nieuwe standplaatsen pakte de volgende generatie van Bezemkruiskruid weer hun knapzakken in om weer de pionier uit te gaan hangen. Het volgende plan was geboren: ‘Expeditie snelweg’.
Dit nieuwe plan werd succesvol gecombineerd met de andere plannen. Naast deze plannen kwam het Bezemkruiskruid inmiddels ook vanuit het Middellands zeegebied Europa in en koos hier weer voornamelijk voor de trein noordwaarts. Vanaf 1987 begon de werkelijke explosie aan verspreiding van de plant in Nederland. In Nederland ontstond namelijk een bijzondere meevaller voor het kruid tussen 1985 en 1990, die het startschot gaf tot de explosie. De NS gebruikte in die periode afval uit de steenkoolmijnen voor de schouwpaden. Op de mijnsteenbergen waar het materiaal vandaan kwam groeide inmiddels zeer veel Bezemkruiskruid en zij zaten propvol met Bezemkruiskruidzaadjes. Zo duurde het niet lang voordat er een enorme hoeveelheid Bezemkruiskruidzaadjes opnieuw met de trein verspreidt werd door het hele land.
Bezemkruiskruid breidde zich zichtbaar jaarlijks uit en met al zijn strategieën reisde hij naar de uithoekjes van Groningen, vond zijn plekjes op Maastrichtse stadsmuurtjes, beklom de Zuid-Europese en Midden-Europese bergen tot op 1400 meter hoogte en veroverde vooral vele steden door Nederland en de rest van Europa. Vergeleken met 1987 is Bezemkruiskruid in 2005 in Nederland alleen al meer dan vertienvoudigt! Maar de pionierdrang van Bezemkruiskruid is niet te stoppen. Vanuit Duitsland begon de plant vanaf 2006 nu ook Oost-Europa in te trekken. Inmiddels breidt hij zich de laatste jaren ook zeer sterk uit in de duinen en begint ook steeds meer natuurgebieden in te trekken.
Nu zijn we dus op een punt aangekomen waar het heldhaftige verhaal gebroken word en een probleem geboren is. Als Bezemkruiskruid gaat woekeren in natuurgebieden verdrijft hij zeldzamere soorten. Deze bedreiging zal steeds grotere vormen aannemen. In de Vlaamse duinen wordt Bezemkruiskruid al met gerichte maatregelen bestreden. Oude muren kunnen een bijzondere aanwinst voor de ecologie betekenen, maar als Bezemkruiskruid hier gaat groeien verdwijnt dit natuurlijk kapitaal, daarom is het ook aanbevolen Bezemkruiskruid van oude muurtjes weg te werken.
Daarentegen heeft Bezemkruiskruid ook wel zijn ecologische voordelen. Bezemkruiskruid bloeit van juni tot diep de winter in. Ergens tussen kerst en sinterklaas verdwijnen de gele bloemetjes pas. En hier zijn de honingbijtjes in ons land niet rauwig om! De meeste bloemetjes zijn natuurlijk laat in het jaar al verdwenen. Maar de vreugde onder de honingbijtjes neemt helaas af als de Blinde bij Eristalis tenax in de buurt is.
De Blinde bij verdrijft die honingbijtjes. Het grappige aan de Blinde bij is dat hij geen bij is en ook niet blind is. Het is een dik zweefvliegje die op een bij lijkt, maar niet kan steken en geen stuifmeelzakjes meedraagt. Wat de Blinde bij wel kan is iets zeer ingenieus. Als Blinde bij nog een larve is dan leeft hij in het water. Deze larve kan verontreiniging uit verontreinigd water weg-eten. Hiermee is het dus een nuttige soort voor het milieu.
Alle bestuiving bij Bezemkruiskruid vindt plaats met behulp van insecten. Naast bijen zorgen ook hommels en vlinders hiervoor. Onder de bijen is er nog een soort die expliciet graag op Bezemkruiskruid zit. Het is de Tronkenbij Heriades troncorum. De Tronkenbij is maar 5 tot 7 mm groot en heeft dus ook een relatief kleine tong, vanwaar de Tronkenbij moet leven van bloemetjes waar het nectar makkelijk te bereiken is. Het geslacht Senecio bieden hiervoor de aangewezen soorten.
Verder is de Tronkenbij ook een konthaarverzamelaar. De Tronkenbij klopt met zijn kont tegen de bloempjes en verzamelt zo het stuifmeel dat in zijn kontharen blijft hangen. De naam Tronkenbij dankt hij aan het feit dat hij in tronken zijn nestje maakt. Een tronk is een ouderwets woord voor afgeknotte stam. Hier zoekt hij meestal kleine kevergangen op en maakt hier zijn nestje in waar hij acht eitjes neerlegt. Als de bijtjes uitkomen leven zij maar een maand.
Zo ziet u, het Bezemkruiskruid is op zichzelf ook nuttig voor de natuur. Vanwege het invasieve karakter van deze plant is het onnodig om maatregelen te nemen in natuurgebieden om de soort uit te laten breiden. Als u als natuurbeheerder eigenwijs bent of gewoon graag eens een konthaarverzamelaar wilt zien dan zult u eenmaal in de twee tot vijf jaar moeten maaien en goed open plekken in uw gebieden moeten creëren.
In vergelijking met de andere dertienhonderd soorten van het Senecio-geslacht is het steen-liefhebbende karakter van Bezemkruiskruid een aparte eigenschap. De overige kenmerken van deze Senecio inaequidens komen wel erg overeen met geslachtsgenoten. Bezemkruiskruid lijkt vooral op Moeraskruiskruid Jacobaea paludosa, want verbazend genoeg geen Senecio is. Hiervan wijkt hij af vanwege de ongetande tot onregelmatig getande, soms wel tien centimeter lange, dunne blaadjes. Moeraskruiskruid heeft iets dikkere blaadjes en lijkt daarmee dus toch wel een stuk minder op een bezem.
De wetenschappelijke soortnaam inaequidens van Bezemkruiskruid betekent ‘ongelijke tanden’ en is dus vernoemd naar de kenmerkende onregelmatige tandjes op de bladrand. Kruiskruid heeft niks met een kruis te maken, maar komt waarschijnlijk van een foute vertaling van het Duitse woord ‘Kreuzkraut’ wat eigenlijk Grijskruid betekent.
inaequidens
Onze bezem kan 110 centimeter hoog worden en krijgt in veel gevallen een houten voet aan de grond. Dit maakt hem steviger. Wij eten onze bezem niet op omdat er pyrrolizidine alkaloïden inzitten. Dit zijn stoffen die de lever stevig beschadigen ook bij dieren. Grazers hebben dus niks aan de bezem in hun foerageergebied en kunnen de bezem ook niet van het land vegen door hem op te eten.

