“Het hart van de zon”
Hartbladzonnebloem – Doronicum pardalianches – (Leopard’s-Bane)
Hartbladzonnebloem wordt ook wel eens ‘Voorjaarszonnehoed’ of ‘Hartzonnebloem’ genoemd. ’t Hart in de naam wijst op het hartvormige blad dat de plant heeft. Die hartjes omarmen de plantstengel. Onderaan de plant komen ook hartjes aan lange stelen uit de grond zetten. Die grond waar de planten uit komen groeien is meestal vochtig en de grondsoort kán in principe van alles zijn behalve veengrond, ook al is veen wel vaak vochtig. Een beetje humus op en in de grond is wel benodigd voor die harthoudende plantjes, wat puur zand zonder humus een niet geschikte grondsoort maakt.
Ondanks deze niet streng lijkende eisen van de Hartbladzonnebloem is de plant toch zeldzaam in Nederland. Hij is zeldzaam genoeg om dan ook weinig bekendheid bij het grote publiek te genieten. Zeker in vergelijking met zijn enorm grote achterneef. Hartbladzonnebloem heeft altijd in de schaduw gestaan van zijn enorme achterneef, de Zonnebloem Helianthus annuus. Hartbladzonnebloem staat ook letterlijk meestal in de schaduw en is het daar zelfs prettig gaan vinden.
Zijn achterneef is een buitenlander die de Spanjaarden ooit tussen de Incapriesters in Cuba hebben ontdekt en voor bladergoud aanzagen. Vanwege zelfverrijkingsmotieven is die neef naar Europa gebracht. Later bleek zijn achterneef enkel een illusie van goud te zijn, maar zijn populariteit is er niet sterk door verminderd. Hartbladzonnebloem voelt geen jaloezie maar toont met zijn hartvormige bladeren en zonnestralen juist een liefdevolle levenshouding. Wij Nederlanders mogen de Hartbladzonnebloem best eens een hart onder de riem steken, want hij is in tegenstelling tot de Zonnebloem inmiddels wél inheems te noemen, wat betekent dat de plant nuttiger is voor onze ecosystemen en de daarin levende wezens dan de Zonnebloem.
De levende wezens die een direct voordeel beleven van de plant zijn onze harige hommels, de bedreigde honingbijen en ook met name een grote verscheidenheid aan slakkensoorten die zich ook fijn voelen op vochtige halfschaduwplekjes. Daarnaast worden ook bladluizen Aphidoidea spec., roetdauwschimmels en Bladaaltjes Aphelenchoides erg opgewonden van de plant, zo opgewonden dat ze hem wel zouden willen opvreten. Dit doen zij allen dan ook, maar op hun eigenwijze manier.
De Hartbladzonnebloem heeft een nuttig plekje in de Nederlandse natuurbalans. Aan ons en de insecten laat hij een zon in heldergele kleuren zien, maar pakt zelf weinig zonnestralen op in zijn schaduwrijke standplaatsen. Dit is een teken van bescheidenheid en een vertoning van tevredenheid zonder alle aandacht die zijn achterneef wel is gegeven. Zijn zeldzame voorkomen, bijna onopmerkzame leven weerhoudt de plant niet om zelf ook nog eens een bron symboliek te blijven voor de oplettende mens in het Nederlandse bos.
De zonnesymboliek die de planten in het bos verspreiden communiceert het licht, warmte, vitaliteit, groei, vrolijkheid, levenskracht, eeuwigheid, het Universum en het Goddelijke. De zon is altijd een belangrijk symbool geweest voor de mensheid. Een gezicht in de zon heeft symbool gestaan van het aangezicht van God tot aan de hoeder der Teletubbies.
Het is onweerlegbaar dat de zon van immens belang is voor al het leven dat wij kennen! Deze zon ondergaat in zijn relatie tot onze aarde een aantal fasen door. De zonnewendes geven een duidelijke overgang weer van die fasen. Volgens de Wicca spelen dergelijke fasen ook een belangrijke rol in het menselijk leven. Hier worden deze overgangsmomenten gebruikt om de zonnefase te eren.
De oude Azteken hebben in plaats van een Zonnebloem, een zonnesteen. De zonnesteen is de naam voor de Azteekse kalender en in deze steenkalender is het gezicht van ene Tonatiuh te zien. Dit is de naam voor de Azteekse zonnegod. De ringen die rondom zijn hoofd worden afgebeeld op de zonnesteen staan ook symbool voor de verschillende periodes die in de tijd geborgen liggen. Al die periodes, dagen en gebeurtenissen die zich in de tijd van de natuurlijke wereld en in de heilige wereld ontvouwen worden in de kern aangestuurd door Tonatiuh. De steen stamt uit de vijftiende eeuw.
De Hartbladzonnebloem stamt niet zo ver van ons vandaan. Hij komt oorspronkelijk uit Zuid-, West en Midden-Europa. Hartbladzonnebloem is sinds het begin van de negentiende eeuw naar Nederland gebracht door menselijke handen. Hij is toen onder andere bij kloosters en kastelen aangeplant vanwege de medicinale kwaliteit tegen duizeligheid. Hiervoor werden de ondergrondse knollen gebruikt. De plant wordt inmiddels inheems genoemd vanwege het langdurige verblijf waarbij de plant zichzelf in stand heeft gehouden en tegelijkertijd een nut in ons ecosysteem verwierf.
U leest het goed, Hartbladzonnebloem heeft knollen onder de grond. De andere enige inheemse geslachtsgenoot, Weegbreezonnebloem Doronicum plantagineum heeft niet echt knollen, maar verdikte horizontale wortels. U houdt ze uit elkaar door naar de bladrand te kijken, de bladrand van Weegbreezonnebloem is duidelijk getand, terwijl Hartbladzonnebloem een veel zachter blad en een zo goed als geen getande bladrand heeft. Het geslacht Doronicum is op zijn Nederlands Voorjaarszonnebloem.
Het voorjaar zit in de naam omdat ze van april tot en met juni hun zonnestralen het bos in laten bloeien. Zonnestralen zijn haast de enige rechte lijnen in de natuur als ze door wolken of door een kronendek heen stralen. Het schijnt dat er een speciale fee op meerijdt en zo op aarde afdalen. Deze fee brengt de boodschap van hoop en nieuwe vooruitzichten naar u toe. U mag ook een wens voor de gehele mensheid doen als u de stralen ziet.
In het verleden hebben de stralen van de Hartbladzonnebloem en voornamelijk het voorjaarsmoment van bloei naast de medicinale werking eraan bijgedragen dat de Hartbladzonnebloem in Nederland terecht is gekomen. De bijna een meter hoge plant is vanwege zijn esthetische kwaliteit in het voorjaar begin negentiende eeuw naar Nederland gebracht. Deze invoering is een restant geweest van een oorspronkelijk na-middeleeuwse gewoonte. Het gaat hier om de gewoonte die tot de status-erkenning van stinzenplanten heeft geleidt.
In de na-middeleeuwse tijd, waarmee de 15e eeuw tot aan de 20st eeuw bedoeld wordt, waren de rijke Nederlandse en Belgische stedelingen, die op vruchtbare gronden woonden, aan de herinrichting geslagen. Hun grote landgoederen richtte zij graag in met theehuizen, vijvers, een pleziertuin, een oranjerie (waar men in de winter planten onderbracht), een boerderij, vijvers en lanen. De rest van hun landgoed was bosachtig, maar richtten zij graag naar hun eigensmaak in. Dit bos werd daarom intensief onderhouden.
Deze landgoederen dienden soms als buitenplaats voor bewoners in de omgeving zodat zij de natuur in konden en schaduw konden opzoeken. Daarnaast functioneerden deze buitenplaatsen en landgoederen ook als jachtgebied en om er geld aan te verdienen door hout te verkopen. In deze bossen stonden voornamelijk Es Fraxinus, Iep Ulmus, Eik Quercus en Beuk Fagus.
Over het algemeen bestond er een grote biodiversiteit in deze parkachtige bossen. De grondeigenaren introduceerden namelijk regelmatig nieuwe planten in hun bos. Bosranden werden bijvoorbeeld erg mooi aangekleed met meegebrachte soorten vanuit verre reizen. De bossen werden wel ingericht met de intentie om de planten te laten verwilderen. Vanwege deze intentie zijn al die geïntroduceerde planten planten die in leven blijven in schaduw.
Opvallend is de grote liefde voor bolgewassen van deze rijke lui. In dergelijke landgoederen werden merkwaardig veel bolgewassen neergezet, zoals Sneeuwklokje Galanthus spec., Gewone vogelmelk Ornithogalum umbellatum, Daslook Allium ursinum, Bostulp Tulipa sylvestris, Bonte krokus Crocus vernus en Lenteklokje Leucojum vernum. Dat zijn dus ook Stinzenplanten.
De naam stinzenplant is afgeleid van het Friese stins. Dat is een term voor een middeleeuws stenen huis. De rijke lui uit de middeleeuwen waren de mensen die in deze stenen huizen woonden. De inwoners konden reizen veroorloven en konden dan planten meenemen voor op hun landgoed. Naast bolgewassen werden ook andere soorten geïntroduceerd. Typische voorbeelden daarvan zijn Gevlekt longkruid Pulmonaria officinalis, Lelietje-van-Dalen Convallaria majalis, Bosanemoon Anemone nemorosa, Holwortel Corydalis cava en Winterakoniet Eranthis hyemalis. Ook de Nederlandse Vingerhelmbloem Corydalis solida werd in de stinzenbossen geïntroduceerd.
Deze stinzenplanten werden net zoals de Hartbladzonnebloem vaak vanuit overig Europa gehaald en als u een beetje op de hoogte bent van bloeitijden zal het u opgevallen zijn dat alle genoemde stinzenplanten in het voorjaar bloeien. Het was dan ook voornamelijk het voorjaar dat zij wilden opvrolijken met uitheemse soorten. Opvallende bloei is tevens de onderbouwing van een plantkeuze geweest. Een opleving van Engelse landschapsstijl in de achttiende eeuw heeft nog eens een boost gegeven aan het vormgeven van parkbossen.
Inmiddels kunnen we deze stinzenplanten inheems noemen en is het stinzenmilieu een bekend milieu voor natuurorganisaties. De natuurorganisaties en overheden hebben het beheer van de parkbossen met een stinzenmilieu in de loop van de tijd overgenomen. De huidige ‘park’bossen met een stinzenflora zijn inmiddels dan toch redelijk oud in vergelijking met andere Nederlandse bossen. Meerdere stinzenplanten zijn inmiddels zelfs beschermde planten geworden, Hartbladzonnebloem overigens niet.
Hartbladzonnebloem is wel bijzonder als u hem tegenkomt. In Nederland en in België is hij zeldzaam. Als de plant in tuinen wordt gezet dan blijkt toch dat hij zich zelden verwildert. De plant vermeerderd zich door zaad, maar de knol kan ook gescheurd worden. De wortels uit die knol willen eigenlijk altijd een eenzelfde vochtgehalte in de bodem om oververhitting te voorkomen, maar een teveel aan water leidt weer tot wortelrot. Onder gunstige omstandigheden kan de plant zich toch best een weg omhoog boksen tussen andere bodembedekkers door.
U weet dat er veel knollen zijn die in tijden van bijvoorbeeld hongerwinter gegeten werden. De knol van Hartbladzonnebloem is giftig en heeft zelfs wel eens varken vergiftigd die ze opgraafden dus kan niet gegeten worden. De rest van deze plant uit de Composietenfamilie Asteraceae is ook giftig.
De Latijnse geslachtsnaam Doronicum duidt niet op het voorjaar. Doronicum komt waarschijnlijk van doroniqi wat een verwijzing is naar een andere giftige plant. Het zou ook kunnen verwijzen naar Dorycnium, wat weer een andere buitenlandse plant is, waarmee speerpunten ingesmeerd werden om extra gif toe te voegen. De Latijnse soortnaam Pardalianches betekent ‘panterwurgend’. Waar dat op slaat is nog onbekend, maar slaat duidelijk niet op de sfeer die de plant oproept.
