“De stikstoftoren”
Duinriet – Calamagrostis epigeios (Wood small-reed)
Duinriet is een bijzondere en lekkere plant. Hij is niet lekker om op te eten, maar lekker om aan te voelen. De beharing op de pluimen zorgt voor deze zachtaardige voelsensatie. Bijzonder is Duinriet omdat hij twee belangrijke eigenschappen met Zeggesoorten Carex spec. gemeen heeft. Zeggesoorten behoren tot de Cypergrassenfamilie Cyperaceae. De combinatie van in een pol groeien en daarnaast lange kruipende wortelstokken vormen is bijzonder voor een grassoort (Grassenfamilie Poaceae). Andere soorten uit dit geslacht van het Duinriet (genaamd Struisriet Calamagrostis) zijn om diezelfde reden ook bijzonder. Duinriet kan vanwege deze groeigrage wortelstokken het zand op de duinen stevig beethouden. De wortels grijpen zich soms wel op twee meter diepte vast. De groeigrage wortelstokken bezorgen de plant soms grote groeicommunes.
Hiermee wordt de invloed van de wind op de zanderige duinen tegengewerkt. De plant is duidelijk een plant met aardende energie. De plant leert u dat afleidende en zweverige gedachtegangen een halt toe te roepen zijn. Die gedachtegangen worden door de wind van de duinen gesymboliseerd. De lucht is sinds de oudheid symbool voor rationaliteit. De energie van de plant symboliseert de kracht waarmee verwarrende veelzijdigheid aan gedachtegangen een goede aarding niet in de weg hoeft te staan. De kracht laat de gedachtegangen langs zich heen waaien zonder zich heftig te verzetten ertegen. De plant veert een klein beetje mee, maar blijft zelf op zijn plek en creëert een praktisch bestaan daar waar hij werkelijk is. De kracht trekt zich niets aan van die wind, het bestaan wortelt zichzelf diep in de grond.
Nu ik het zeg zult u waarschijnlijk begrijpen waarom de plant DuinRIET heet. Riet Phragmites australis behoort ook tot de grassenfamilie en kruipt ondergronds ook behoorlijk wat rond natuurlijk! Maar Riet houdt zoals u weet geen duinzand vast, maar houdt oevers stevig vast en behoedt deze van watererosie. Duinriet is in het licht van deze eigenschappen en vanwege het vergelijkbare uiterlijk, vernoemd naar Riet. En niet alleen de Nederlandse naam. De wetenschappelijke soortnaam epigeios is afgeleid van een oorspronkelijk, door de bekende Zweedse botanicus Carl Linnaeus (1707-1778) gegeven, naam ‘Arundo epigejos’. Dit betekent ‘Riet op het droge land’. Zo kunnen we het Duinriet ook het beste bekijken.
Landriet zou gewoon een betere benaming zijn. Duinriet staat, zeker wereldwijd gezien, vaak genoeg op andere standplaatsen buiten de duinen. Met zijn “commune-vormende” karakter creëert de plant zijn eigen favoriete omstandigheden. In werkelijkheid is het natuurlijk geen commune, want het is vaak één plant die vooruit kruipt en nieuwe stengels aanmaakt. Maar meerdere individuen kruipen wel vaak door elkaar heen. Een haard is het officiële woord om te gebruiken voor zo’n groep. De Duinriethaard verdringt alle zaailingen van andere kruiden en bomen binnenin. Hierdoor wordt de kans sterk verlaagt, mits Duinriet er eerder staat, dat grote bomen zich ertussen gaan kiemen en vlak boven de plant uitgroeien tot een lichtconcurrent. Met deze haardgroei beschermt Duinriet zijn behoefte aan zon.
Een beetje schaduw kan hij nog wel overleven. Als Duinriet later dan de bomen toch in een bos arriveert en toch in enige schaduw komt te staan, dan kan hij wel overleven mits de schaduw niet overdreven sterk aanwezig is. De ondergrondse vegetatieve vermeerdering gaat gewoon door, maar het gebrek aan licht zorgt er wel voor dat de pluimen nooit in bloei komen te staan en de voortplanting dus gematigd wordt.
Wat de meeste standplaatsen van Duinriet overeen hebben, dat is een grondwaterstand die in de winter nogal afwijkt van de zomerstand . Tegelijkertijd moet die grondwaterstand nooit te diep onder het maaiveld komen. De meest gunstige situatie is een wisselende grondwaterstand die nooit verder dan twee meter diep wegzakt, zodat de wortels van het Duinriet er wel altijd bij zouden kunnen komen.
Naast zanderige bodems is de plant ook wel op klei en veen te vinden, maar niet vaak. Op stenige gronden is hij dan nog beter leefbaar. Zo komt de plant ook wel eens tussen straatstenen op, op industrieterreinen en langs spoorwegen. De wortelstokken en de bovengrondse stengels van Duinriet bevatten zo’n immense groeikracht dat de plant zich echt niet opzij laat zetten. Als Duinriet een asfaltbaan of een muur tegenkomt, dan wijkt hij niet, maar perst hij zich er dwars door heen en groeit gewoon door. Zó lost Duinriet zijn problemen op! Per jaar kan zo’n wortelstok zichzelf wel een meter laten groeien. De plant zelf kan ook wel twee meter hoog reiken, boven de grond, maar blijft meestal ongeveer de helft lang.
Bovenaan de ruwe stengel zit de zachtaardige pluim, die verschillende kleuren kan hebben, van paarsgroenig tot lichtbruin, afhankelijk van het moment van het jaar. Als hij niet in bloei staat, is de rechte pluim nogal strak in het gareel. Het is net alsof zijn korset dan te strak zit, ook omdat de pluim dan paarsig gekleurd is. Tijdens de bloei lijkt de korset wat losser te zitten, alles hangt een beetje meer losjes en de paarse kleur zakt weg. Bloei laat deze plant relaxen.
Er kan geen duidelijk moment aangewezen worden voor wanneer de zaden de pluim verlaten. Dit komt doordat de plant de verspreiding van de zaden verspreid over het jaar verspreid. Die zaadjes kunnen ook nog eens één tot vijf jaar blijven leven. Klinkt lang, maar dit noemt men toch kortlevend.
Duinriet komt wereldwijd bezien in minder landen voor dan zijn natte vriend, het Riet. Maar de verspreiding van Duinriet beslaat dan wel duidelijk een groter areaal dan zijn met meer roem geschapen metgezel in de duinen; het in Nederland o zo bekende Helmgras Ammophila arenaria.Helmgras heeft een slankere pluim en die voelt minder zacht aan dan Duinriet.
In de duinen staat ook regelmatig Biestarwegras Elytrigia juncea subsp. Boreoatlantica tussen Helm en Duinriet in. Deze soort is makkelijk te onderscheiden omdat de aar van Biestarwegras meer op een graanvrucht lijkt.
Voelt u zich heel erg onrustig? Pak dan eens lekker zo’n zachte aar beet van Duinriet en wrijf hem lekker tegen het gezicht of ergens anders. De andere delen van de plant voelen wel ruw aan, dus gebruik die niet als schrale troost.

Aar van Duinriet – Calamagrostis epigeios (Wood small-reed)
Duinriet zelf kan ook op andere manieren een schrale troost bieden. U kent het probleem van luchtvervuiling. Luchtvervuiling blijft meestal niet enkel in de lucht. De vervuiling dwarrelt ergens neer en vervuilt daar weer de bodem en het grondwater en dan planten en dan dieren enzovoorts. Regelmatig zet de lucht op die manier overtollig stikstof af op de bodem of op planten. Dit wordt stikstofdepositie genoemd. Het is van belang hier een term voor te hebben want er zal uitgebreid over gediscussieerd moeten worden.
Stikstofdepositie vormt namelijk het allergrootste probleem voor beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden. Zeker op zestig procent van alle natuur in Nederland dwarrelt allemaal stikstof neer die de chemische huishouding hier verstoort. Die overmatige stikstof wordt door auto’s en met name de intensieve veehouderij de lucht in gezonden. Het gevolg van de stikstofdepositie is dat kwetsbare planten in de natuur verdwijnen. En dat zijn nu juist de meest belangrijke soorten om te behouden. Dit soort planten worden nogal eens vanwege de stikstofdepositie door grassen verdrongen. Duinriet is een voorbeeld van zo’n gras die baat heeft van stikstofdepositie ten koste van zeldzaamheden.
Als Duinriet onder invloed is van stikstofdepositie dan kan hij heel de wereld aan. De plant groeit gewoon met grote haarden tegelijk over gehele plantengemeenschappen heen en over allerlei duinzeldzaamheden zoals Hondskruid Anacamptis pyramidalis of Harlekijn Anacamptis morio ! Dat is dus een wat nare eigenschap. Die vrolijke en kleurige Harlekijn wordt weggeduwd door die bruine saaie stengel van een Duinriet! En grootschalig ook! Duinriet vormt het grootste aandeel binnen het vergrassingsprobleem in de duinen! Accepteren wij dat zomaar mensen?!!!
Agh, onder de saaibekleurde kleding van Duinriet ligt toch wel een wereld vol kleur en een boeiend heden verscholen. En een waardevolle wereld ook. Een wereld vol met ondersteuning en dierproeverij. Trek uw harlekijnskleren nog maar even niet uit en beklim de Duinriettoren met me mee.
Als we de toren opklimmen blijkt dat er ook insecten binnenin de bladeren van Duinriet leven. Ze graven binnenin deze bladeren of stengels hun mijnen. In de duinen komt de Duinrietmineermot Elachista bisulcella steeds vaker voor. Hij eet zich een weg door de binnenkant van de plant, soms ook op Rietzwenkgras Festuca arundinacea.
Duinriet is ecologisch ontzettend waardevol. Vele insecten leven in en op de plant. Er bestaat bijvoorbeeld ook een vlieg uit de familie van de Bloemvliegen Anthomyiidae, waarvan de larve zijn hele jeugdleven in Duinriet doorbrengt. Deze bloemvlieg heeft nog geen Nederlandse naam, maar wordt Phorbia penicillaris genoemd en komt enkel in de duinen voor. Phorbia penicillaris is een erg eigenwijze bloemvlieg. De volwassen vlieg zit meestal gewoon op een stuk kaal zand te niksen en houdt daarmee de naam van zijn familie niet hoog. Hij is zelfs nooit op een bloem te vinden!
Er zijn ook genoeg insecten die gewoon op Duinriet wonen en alleen hiervan eten. Voorbeelden zijn de bladluis Schizaphis jaroslavi en de Halmvlieg Chlorops gracilis. De spoorcicadeEurysula lurida en de bladluis Laingia psammae kunnen dan ook nog wel van Helm eten naast Duinriet.
Er zijn nog meer insecten die de naam van Duinriet in hun Nederlandse naam hebben, zoals de Vale duinrietboorder Photedes extrema en de Gele duinrietboorder Photedes fluxa. Als de Vale duinrietboorder in augustus uit zijn ei is gekropen dan boort hij zich meteen een weg in de stengels van Duinriet. Het rupsje vreet zich een weg omhoog en eet uiteindelijk als enorme kers op zijn taart ook de binnenkant uit de inmiddels lichtbruine pluim op. Helaas voor Duinriet smaakt dit meestal naar meer, dus de Vale duinrietboorder-rups verplaatst zich hierna naar een nieuwe stengel en herhaalt zijn vreetwerk hier.
Hij blijft doorgaan tot de winter aanbreekt. In de winter kruipt het rupsje naar een lagere verdieping van een Duinriettoren. Na de winterperiode kruipt de rups weer omhoog en continueert zijn vreetkick. Tegen mei is de rups zeker tot zijn volle formaat uitgegroeid en is hij klaar om zich te verpoppen. De rups voelt dit zelf aan, want er is geen moeder of vader meer in de buurt om hem dat te vertellen. Hij kruipt de stengel uit. Hij begeeft zich naar een blad van het Duinriet ergens onderaan en ondergaat hier in zijn pop de transformatie naar een gebroken wit-gekleurde nachtvlinder.
Zijn geslachtsgenoot, de Gele duinrietboorder, heeft een vergelijkbare leefwijze, maar eet van Duinriet als de pluimen nog purpergroenig gekleurd zijn. Als deze rups in juni klaar is om te verpoppen dan daalt hij de gehele Duinriettoren af en maakt gewoon op de grond een stevigere cocon tussen het strooisel op de bodem.
Er zijn nog vele andere vlinders verbonden aan het Duinriet. Het Bont zandoogje Pararge aegeria, Witstipgrasuil Mythimna albipuncta en het Koevinkje Aphantopus hyperantus hebben onder andere Duinriet als waardplant. Het in Nederland algemeen voorkomende Zwartsprietdikkopje Thymelicus lineola leeft in grasrijke gebieden waar soms jaren niet gemaaid wordt. Het Zwartsprietkopje is in principe in heel Nederland wel te vinden en heeft naast Duinriet ook andere grassen zoals Timoteegras Phleum pratense, Kropaar Dactylis glomerata en Kweek Elytrigia repens als waardplant. De rupsjes van het Zwartsprietdikkopje zult u nooit in de stad kleding zien kopen, want zij maken hun kleding zelf. Zij bouwen een kokertje en kruipen vanaf april tot juli hierin rond. De verpopping vindt vervolgens plaats op de bladeren van bijvoorbeeld Duinriet.
De volwassen vlinders zoeken wel graag kleurrijke bloemen op en drinken zich helemaal klem met nectar, regelmatig zo klem dat ze vervolgens hun hand er niet voor omdraaien om zelfs sap uit poep te gaan uitzuigen. Het zwartsprietdikkopje dankt zijn naam aan de onderkant van zijn sprietknopje op zijn kopje, dat gedeelte is dus zwart. Als dat niet zwart is, maar geelbruin, dan is het waarschijnlijk het Geelsprietdikkopje Thymelicus sylvestris. Ook een soort die afhankelijk is van een aantal breedbladige grassen.
Naast deze ecologische waarde van Duinriet, blijft het probleem van vergrassing in de duinen toch bestaan. Om dit tegen te werken worden vaak paarden ingezet. Paarden zijn vaak zo hongerig naar de groene bladeren dat ze ook allerlei andere dingen mee wegeten die tussen hen en hun groene doel groeien. Zo komt het dat ze ook wel de droge Duinriettorens wegeten op weg naar lekkerder voedsel.
Ondanks de kiezelzuren in Duinriet, wat de plant voor vele grazers onsmakelijk maakt, zijn het voornamelijk de Konikspaarden die het minder moeilijk hebben met het wegeten van Duinriet. Konikspaarden stammen af van het Europese wilde paard, de Tarpan. De helft van de wereldpopulatie van de Koniks leeft in Nederland!!! We hebben het dan over ongeveer twaalfhonderd dieren in Nederland, waarvan er zo’n vijfhonderd in de Oostvaardersplassen leven. Schotse hooglanders schijnen ook best in staat te zijn Duinriet weg te eten.
Nog een tip voor de duinbeheer; als Duinriet weggemaaid wordt dan kunnen de planten nog zeer goed dienen als duinpadbedekking!
De tip is een erg bruikbare tip aangezien Duinriet in de duinen zeer algemeen vertegenwoordigd is. Dit betekent niet dat de plant overal dominant is. Daar waar Duinriet wel dominant aanwezig is komt dat meestal door een heftige verandering in dat leefmilieu. Naast luchtvervuiling is Duinriet daarom ook een indicator van plotseling verdroogde natte gronden of van een grotere hoeveelheid aangewaaid zand op natte gronden. De reden dat Duinriet hier vaak voorkomt heeft indirect ook met zijn stikstofminnendheid te maken, want de zojuist beschreven omslagen in het milieu zorgen voor een versnelde omzetting van de ooit natte humus, naar droge humus. Wat vervolgens makkelijker en sneller verteerd wordt. Waaruit dan stikstof vrij komt.
De toename aan zand in combinatie met uitbreiding van Duinriet schept geschiktheid voor het arriveren van de Addertong Ophioglossum vulgatum, een plant dat in zijn geheel lijkt op een groene versie van de bloem van Aronskelksoorten Arum spec. Addertong voelt zich sterk aangetrokken tot een wat open Duinriethaard.
Kalkrijkdom stimuleert ook een snellere afbraak van organische stof naar stikstof, wat kalkrijke plaatsen ook vaak geschikt maakt voor Duinriet. Ditzelfde geld voor bosbranden of kleinere brandjes. Na zo’n brand is ook veel stikstof vrijgemaakt uit de vegetatie en is dat naar de bodem toe gezakt met het as. Dit soort plekken zijn daardoor ook geschikt voor dit Duinriet. In het geval van kapvlakten in bossen zorgt de verhoogde lichtintensiteit op die bodem ook vaak voor een plotselinge toename aan stikstof, met de bekende gevolgen nadien. Een onbekend gevolg daarvan is dat de dwergcicade Paluda flaveola het zeer op prijs stelt om te leven op zo’n open plek in het bos, bovenop het Duinriet.
Droogte leidt niet altijd tot brand, er kan ook een andere situatie ontstaan. Duinriet staat namelijk regelmatig in de buurt van Duindoorn Hippophae rhamnoides en bij uitdroging vanwege een grondwaterstanddaling ontstaan er dode delen in de Duindoornstruiken. Duindoornstruikonderdelen verteren nadat ze op de grond zijn gevallen erg snel en zorgen dan sowieso altijd voor extra stikstof in de bodem. Daarnaast maken de levende Duindoornstruiken ook wortelknollen aan waarin de zogenaamde Frankia-bacteriën op hun beurt extra stikstof vormen. In eerste instantie voor de Duindoorn, maar ook Duinriet kan hiervan profiteren. Duindoorn is op zichzelf sterker dan Duinriet, wat ook wel te zien is aan zijn dominante voorkomen in de duinen, maar als de Duindoorn in serieuze problemen komt, maakt dat vaak snel een geschikt levensmilieu voor Duinriet en neemt Duinriet het stokje over.
Het is de lichtbehoefte van Duinriet die Duinriet kwetsbaar maakt. Ook Duinriet bevindt zich zoals de rest van de natuur middenin een cyclus. Duinriet wordt op zijn beurt bijvoorbeeld door Framboos weggeconcurreerd met behulp van het wapen der schaduwverdraagzaamheid.
Duinriet neemt nog steeds toe in aantallen en verovert ook steeds meer stedelijke plekken.
