In stedelijke afzondering verkeer ik in een verdiepende sereniteit. Weg van de menselijke verbinding en in de diepgang van de natuurlijke verbinding.
De politiesirene verstoort mijn innerlijke rust en ik ervaar ongeduld door mijn verlangen tot uitsterving van dit geluid. De gillende kinderen verstoren me.
Maar dan roepen de lindebomen, luider met hun stilte. De lindekronen reiken tot aan de grond. Een opening in de kroon ziet eruit als een toegangsdeur om het veilige lindenrijk te betreden. In gedachten zie ik het kind in mij vol verwondering naar binnen sluipen. In dit werkelijke moment wandel ik ook vol verwondering naar binnen. Het kind in mij is niet verlaten.
Meneer spin met acht enorm lange poten steekt een pootje op en wijst naar mij, op het moment dat ik achterin, naast de oever in volle aandacht mijn omgeving verken. De zon schijnt door de bladeren en de meerkoet roept me iets toe terwijl die voorbij peddelt. Op mijn hurken bewonder ik de vele kleine vrienden voor wie al deze inheemse planten een thuis bieden. Overal wordt van gevroten, gaatjes geboren, gangetjes gemineerd en er worden blaadjes aan elkaar geweven.
Eind juni is de natuur springlevend. De druk is nog steeds hoog, zo vlak na de langste dag van het jaar. Het is alsof het bos de zomer viert. Vrienden worden gemaakt, ruzies uitgevochten. De overleving is in vol ornaat uitgedost. In verbinding met de groen aangeslagen leefwereld week ik los van morgen, los van gisteren en los van het bereiken. Er is gewoon een verbinding.
Mijn telefoon gaat af en mijn sereniteit ondergaat een rimpeling. Dit moment is al goed genoeg. Ik neem niet op. Ik blijf hier onder de bomen. Geen uitleg nodig over hoe het gaat.
Meneer spin steekt zijn pootje nog eens op. Verlicht tik ik zijn pootpuntje aan en blijf ik nog even hier.
