“U kunt het eten, maar dat zijn we vergeten” Aardaker Aardaker – Lathyrus tuberosus
(Tuberous pea)
De Aardaker is een inheems meerjarig winterhard knolgewas en een vlinderbloemige klimplant. Nogal een mond vol, net zoals de mens wel eens zijn mond vol had met Aardaker.
Er was een tijd dat men de Aardappel niet kende. In die tijd was de Aardaker wel al bekend en werd hij veelvoudig geteeld en ook veel uit de wilde natuur verzameld. De Aardaker heeft knollen onder de grond, vandaar de volksnaam grondpeer. Tuberosus, zoals de latijnse naam luidt, betekent trouwens ook knoldragend, vandaar dat de Aardappel een sterk vergelijkbare latijnse soortnaam draagt (Tuberosum). Deze knolletjes werden op dezelfde manier als wij nu de aardappel klaarmaken, gekookt of gepoft. De knollen werden bijvoorbeeld een uur gekookt, gepureerd en dan opgediend met kruiden en melk. De knolletjes schijnen heel lekker te zijn en zijn ongeveer zo groot als een kastanje, of eikel en smaken naar een zoetige noot en bevatten veel zetmeel. De Aardaker werd net zo veelvoudig gegeten als bijv. de kastanje in die tijd. Van deze geschiedenis stammen ook de volksnamen aardeikel, aardnoot of aardkastanje. Het woord aker is ook een streekgebonden naam voor eikel. Eerdakers, Eerdekkel, aardeykelen, Eikelen en Ierdaker zijn ook oude volksnamen. Het is een zeer goed bekende soort geweest en de vele volksnamen zijn daar een gevolg van.
De Aardaker werd ook een bekend Nederlands exportproduct, vooral richting Frankrijk. Niet dat de plant enkel in Nederland groeide, want hij groeide ongeveer door heel Europa. Vanwege de export werd ook de volksnaam Hollands muisje aan de plant gegeven. De knol is duidelijk kleiner dan een Aardappel maar ook minder rond, meestal langwerpig, vandaar de volksnaam grondboon. De naam Hollands muisje heeft waarschijnlijk ook te maken met deze vorm en het feit dat het in de grond zit. Ook Aardmuis en Muizen met staartjes zijn volksnamen voor de soort.
Men braadde en brandde de knol ook wel om er koffie van te maken. En ook uit dit gebruik is een volksnaam ontsproten. Heel toepasselijk: Koffieboon.
De plant en de knollen werden ook wel aan varkens gevoerd, vandaar de volksnamen zeugboon en varkensnoot.
Nu we toch zo met namen bezig zijn… De Latijnse naam Lathyrus betekent het volgende.. la = zeer & thyrus = prikkelend/onstuimig. Deze Latijnse naam is gegeven doordat bepaalde lathyrussoorten een sterke geslachtsdrift schenen op te wekken. De Aardaker overigens niet.
De plant werd ook wel als groente gegeten. De bloemen, jonge scheuten en zaadpeultjes kan je ook eten. Maar eer je de plant dan kan eten is er 2 tot 4 jaar benodigd. Dit is erg lang voor een groente. Deze toepassing is daarom duur en niet lang vastgehouden. Tegenwoordig wordt het nog door enkele vergeten-groenten-liefhebbers voor die toepassing gekweekt. Ook kan van de plant plantaardige olie gemaakt worden.
En het houdt niet op met deze plant, want ook de karmijnrode bloemen zijn altijd zeer gewaardeerd door de mens. Deze bloemen ruiken heerlijk, vandaar dat hier vroeger een welriekend parfum uit gewonnen werd. De bloemen geven naast reuk- ook een mooie zichtbeleving. In siertuinen is het een geschikte soort. Aardaker is een ecologisch meer waardevolle soort dan de reukerwten (Lathyrus odoratus) die ook vaak in tuinen het aanzicht verfraaien. Dus heb je en reukerwt in je tuin? Zoek dan naar de Aardaker om ze te vervangen zodat meer insecten je tuin kunnen opleven. Dit is ook nuttig omdat de soort steeds zeldzamer wordt.
Eeuwen geleden was de soort nog veelvuldig te vinden, nu enkel nog langs grote rivieren, zeeland en in Zuid-Limburg. Vanwege de zeldzaamheid is de plant ook beschermd. In Rusland zit het heel anders, hier wordt de plant als onkruid aangezien en geïrriteerd verwijderd uit de graanakkers. Het probleem voor de boer is dat de Aardaker geen zin heeft om verwijderd te worden. Hij geeft zich niet zomaar gewonnen door het boerse gif of ploegschaar. Nee nee, de Aardaker onttrekt zich aan herbiciden, kiemt en loopt lekker laat uit en ontwijkt de ploegschaar door net diep genoeg te wortelen zodat de ploegschaar er niet bij komt. Verder verspreidt de soort zich ook nog eens ondergronds uit door middel van ondergrondse uitlopers. Op de plaats waar de wortels zich vertakken is een verdikking dat steeds dikker wordt en uiteindelijk die zeugboon vormt waarin reservevoedsel wordt opgeslagen. Bovengronds klimt de plant langs zijn rivalen omhoog naar het licht.
Over het algemeen heeft deze plant dus een goede overleving-strategie zou je denken. Toch komt hij niet meer veel voor. Voornamelijk nog bij akkers. En dan vaak bij zijn eigenlijk grootste rivaal, de soort die de hoofdreden is van zijn achteruitgang, de Aardappel. Aardaker is een goede natuurlijke grondbemester (stikstof) en helpt daarmee de Aardappelplant ook aan voedsel. |
Wist niet dat Aardaker ook nog eens te eten was. Niet dat ik het ga doen, dat eten, ik zet hem om meer privacy te bekomen, en omdat ik hem fantastisch mooi vind. In verband daarmee een vraagje: die zaadjes van Aardaker, die ik uit die peultjes heb gehaald en nu heb gezaaid: daar komen toch de plantjes vandaan, hé? Of moest ik de knolletjes hebben? Ik hoopte hem te kunnen zaaien via de zaadjes!!! Want de knolletjes verkopen ze niet. Heel graag had ik hierop een antwoord, zo vlug moglijk. Het zaad wordt alleszins verkocht onder de naam Aardaker in Ecoflora met de bedoeling het te zaaien zodat het plantje schiet.
Ze zijn gewoon in te zaaien hoor! Gegroet!