“Door de mens verpest”
Amerikaanse vogelkers – Prunus serotina – Black Cherry
Amerikaanse vogelkers is, precies wat de naam verteld, een boom uit Amerika die heerlijke kersen voor de vogels aanbiedt. De soort is schaduwtolerant, maar blijkt zich wel het beste te ontwikkelen in meer open plekken en langs randen. Hij verschilt met de Gewone vogelkers Prunus padus doordat de bloei, de vruchten en het bladafval allemaal later in het jaar plaats vinden dan bij de Gewone vogelkers het geval is. Dit komt erop neer dat de Amerikaanse vogelkers eind mei tot juni in bloei staat, terwijl de Gewone vogelkers eind mei stopt met bloeien. De bladeren hebben tot wel 60 paar nerven (Zie headerfoto) en laat de Amerikaanse vogelkers heel laat in het jaar pas los. Wat erop neerkomt dat de bladeren vaak bij het vallen van een sneeuwlaag over het bos pas richting de bosbodem zullen neerdwarrelen.
Deze bosbodem onder de Amerikaanse vogelkers is vaak een min of meer zure en droge zandgrond. Op deze bodem laat de Amerikaanse vogelkers zijn voor de vogels o zo lekkere kersen vallen. Voor de mens smaken zij een beetje bitter. Een mens kan ze alleen eten als de bessen echt goed rijp zijn. Dat betekent dat ze zeker zeer donkerrood tot zwart moeten zijn. Jam of sap kan er bijvoorbeeld van gemaakt worden. Bij het eten van de besjes is het essentieel de pitten niet door te slikken of erop te kauwen. Ze bevatten blauwzuur (zie Amerikaans krentenboompje). Bij het verzamelen van de bessen is het ook raadzaam om het betreffende beheer en klimaatfactoren in ogenschouw te nemen. Het aandeel blauwzuur in de pitten zal verhogen bij periodes van droogte of vorst! Ook bemeste bodems en bespuiting van de bomen kan leiden tot een verhoogt aandeel blauwzuur in de zaadjes! Eet de besjes daarom zeker niet in deze gevallen.
Deze besjes zijn ook de oorzaak van Zoöchorie. Zoöchorie klinkt misschien als een zeer nare huidziekte, maar de betekenis valt alleszins mee. Zoöchorie is een ecologische term die duidt op een verbreidingstechniek van een plant waarbij de hulp der dieren is ingeroepen. Amerikaanse vogelkers wordt voornamelijk door de vogels geholpen. Door deze zoöchorie is de verbreiding van de plant afhankelijk van het gedrag van de hulpjes. Onder de vaste rustplaatsen van vogels zal bijvoorbeeld meer zaad op de bodem vallen en zullen meer jonge boompjes komen te groeien.
Amerikaanse vogelkers ontkiemt voornamelijk op plekjes waar de grond verstoord is. Dit is vaak een kenmerk van invasieve exoten, net zoals een efficiënte verbreidingsstrategie. Invasieve exoten zijn buitenlandse soorten die hierheen zijn gebracht en zich hier dusdanig misdragen dat ze inheemse soorten verdringen, de biodiversiteit tegenwerken, weinig natuurwaarde hebben en zichzelf in extreme mate vermeerderen. Sommige invasieve exoten ontwikkelen zich tot een ware plaag. Amerikaanse vogelkers zal zelden als voorbeeld afwezig zijn als men spreekt over invasieve exoten. Hij is helaas HET voorbeeld van dit probleem.
Zo heeft de soort een zeer lage natuurwaarde omdat er bijna geen insecten op leven. De bladeren en de bast bevatten hoge concentraties aan cyanide. Cyanide is een zeer giftige stof en in Europa kunnen de insecten hier niet tegen. In Amerika zijn er wel enkele rupsen en kevers aangepast en kunnen deze stof wel verdragen.
De belangrijkste reden waardoor een organisme een invasieve exoot wordt is waarschijnlijk omdat natuurlijke vijanden vaak ontbreken in het ingevoerde land. Dit wordt ook wel de enemy-release-hypothese genoemd. In een natuurlijk systeem houden de organismes elkaar in de loop van de tijd in een balans. Zonder natuurlijke vijanden kan een plant zich onbeperkt uitbreiden, mits zijn verbreidingsstrategie ook efficiënt is. In Noord Amerika waren er genoeg bodemziekten die Amerikaanse vogelkers in balans met het systeem hielden. In Nederland ontbreken vele van die ziekteverwekkers. Bijvoorbeeld de bodemschimmel Pythium, die in Amerika een belangrijke balancerende invloed heeft op de boom, ontbreekt hier.
In de 17e eeuw is de Amerikaanse vogelkers ingevoerd als sierplant en hebben we de boom leren kennen, maar rond 1915 is de soort werkelijk grootschalig aangeplant in de Europese natuur. Hiermee heeft men een fout begaan… In de dikke Van Dale wordt onder natuur verstaan: “Wat de mens om zich heen ziet en wat beschouwd wordt als nog niet door de mens gewijzigd”. Andere omschrijvingen zijn “Een waarneembare werkelijkheid voor zover deze tot stand komt zonder invloed van de mens” en “Wat niet des mensen is” en ook “Alles wat zichzelf ordent en handhaaft, al of niet in aansluiting op menselijk handelen, maar niet volgens menselijke doelstellingen”.
U ziet dat het grootschalig invoeren van een uitheemse soort in de natuur op geen enkele manier in de definitie van natuur past. Met deze handeling heeft men de natuurlijkheid wederom grootschalig verstoord in de bossen. Men dacht met het hout geld te kunne verdienen, want de boom groeit snel. Ook dacht men tegemoet te komen aan de Nederlandse vogels, door de lekkere besjes, en tegelijk de bodem op zandgronden in de dennenbossen te verrijken met het bladafval van de boom. Het bladstrooisel is namelijk een sterke bodemverbeteraar vanwege de snelle afbraak van de bladeren. De boom werd veel, o.a. door Staatsbosbeheer, als mengboomsoort ingevoerd. Tegelijk werd hij ook meteen maar ingeplant als camouflage voor militaire terreinen, ter afscheiding van percelen en vanwege zijn brandwerende werking op sommige plekken in hogere dichtheid. Ook de Nederlandse Heidemaatschappij dacht dat het goed was om heidevelden met deze soort te herbebossen.
Het aan hun laars lappen van de definitie voor natuur en de arrogantie om te denken dat zo’n grootschalige aanpassing in de natuur tot verbetering van het systeem zou leiden, heeft tot het fenomeen ‘Bospest’ geleid. Ze zeggen dat het onmogelijk was dit te kunnen voorzien, omdat de soort in Amerika geen plaag vormt. Diepere kennis van de natuur had dit weldegelijk kunnen voorkomen.
Op jonge leeftijd produceert Amerikaanse vogelkers al vele kersen. De kersen zijn na de invoering van 1915 door de vogels her en der verspreid. De soort is explosief in aantal toegenomen en bleek al snel de biodiversiteit , de natuurwaardes en het gehele bosbeheer negatief te beïnvloeden. Ze vormen vaak grote dichte ondoordringbare struwelen waar geen inheemse boom meer tussenkomt. Tegelijkertijd zijn ze zelf behoorlijk schaduwtolerant.
In 1950 ontdekte de bosbeheerders dat ze een grote fout hadden gemaakt.
Ze stopte met de aanplant van de boom, begonnen de boom vanaf dat moment ‘Bospest’ te noemen en zijn als gekken gaan proberen de bomen op allerlei manieren grootschalig weer weg te werken. Allerlei subsidies werden vrijgesteld en vele guldens zijn verloren gegaan aan de fout. Helaas ging het aanplanten een stuk gemakkelijker dan het wegkrijgen van de Bospest. Het is een aanhoudend probleem gebleven en de zaadbank onder de bossen is inmiddels bezaait met zaden van de Bospest, die wachten op het juiste moment om te ontkiemen. Ze blijven soms wel vijf jaar kiemkrachtig. Het moment van ontkieming ontstaat meestal bij het omvallen van een lichtvangende boom. De verstoring in de grond en het binnenstromende licht stimuleert de boomgroei. De soort staat vooral in dennenbossen. Dat zijn bossen met meestal voldoende licht op de bosbodem, waarin regelmatige dunningen plaatsvinden. Deze combinatie is zeer gewenst door de Bospest. Ook is tussen de dennenbossen nogal eens hoevengetrappel aanwezig, die ook de bosgrond geschikt maakt voor ontkieming. Zodoende is de verjonging van de boom nog steeds grootschalig gaande. De bosbeheerders hebben na hun paniek moeten accepteren dat het verdrijven van de soort onmogelijk is en dat de opdracht van uitroeiing vervangen moet worden voor beheersbaar houden.
Om deze opdracht te vervullen is men inmiddels bezig met de strategie van uitputting. Deze strategie behelst het op borsthoogte afzagen van de bomen en na een paar maanden de zijscheuten verwijderen. Het wortelstelsel mist de kracht om hierna nog eens uit te lopen en de boom tot bloeien aan te zetten.
De meest gebruikte methode voor het in toom houden van de boom is met een groep vrijwilligers het bos ingaan en gezamenlijk, vrolijk de jonge planten met wortel en al uit de grond te rukken. Deze groep is niet altijd voor handen, aangezien het werk veel en vaak gedaan moet worden. Ook zijn vele vrijwilligers vergrijst en is dit werk niet zo gezond voor de rug. Oudere planten worden ook wel met andere werktuigen of paarden uit de grond gerukt. De Amerikaanse vogelkers ziet na een dergelijke behandeling van de bosbodem wel graag zijn kans schoon om zich hier in die heerlijk omgewoelde bodem te vestigen, dus dit soort methodes zijn dweilen met de kraan open.
Dan hebben we gelukkig nog chemische bestrijding! …Natuurorganisaties zien inmiddels wel steeds meer van deze methode af. En terecht, want het schuift de problemen door en vergroot ze. In enkele gevallen kan er toch gespoten zijn en, nogmaals, dan moet u opletten de bessen niet te eten.
Na deze Amerikaanse vogelkers-angstzaaiingen zal ik u ook enkele bemoedigende woorden toespreken. In maart 2012 is men verbaast tot de ontdekking gekomen dat er een natuurlijke held is opgestaan die mee helpt met de bestrijding! Voor het eerst doken er foto’s op uit Noord-Limburg waar bastkevers (Appelspintkever Scolytus mali) in meerdere stammen van Amerikaanse vogelkersen zijn gaan leven. Uitgebreide gangenstelsels onder de bast zijn het resultaat. Desbetreffende bomen stierven hierdoor af. Als deze kevers hier een gelukkig leven leiden staat de mogelijkheid open dat dit het begin is van de vorming van natuurlijke vijanden van de boom.
Om te vervolgen in deze bemoedigende woorden, wil ik u erop wijzen dat bossen waar ook de kruid- en struiklaag zich goed ontwikkeld heeft de Amerikaanse vogelkers weinig gevaar vormt. Een dergelijk bos met een hoge biodiversiteit (dus veel verschillende soorten flora & fauna) en een hoge structuurvariatie (dus hoge & lage planten en met verschillende leeftijden) kan zich altijd beter weren tegen verstoringen en gevaren van verschillende aard. Zie hier het nut van biodiversiteit! Krachtig en flexibel door variatie en balans!

Ik woon al heel men leven in de bossen, langs vaderskant komen we ook uit een boswachtersfamilie. Het zijn hier voornamelijk dennenbossen, en ja de Amerikaanse vogelkers groeit hier ook. Maar er is altijd zo overdreven met zijn overheersende kracht. Bij kaalkap of dunnen van de bossen schiet hij snel uit en groeit hij hard. En heb je de neiging om te denken dat hij het overneemt, maar 10 jaar later staat er zeker evenveel lijsterbes en spork (vuilbomen rare naam altijd gevonden. ) nog te zwijgen over hulst, taxus en het krentenboompje.en bosbessen hebben er ook geen hinder van. Tja het is hoe je het bekijkt, voor mij persoonlijk is het een aanwinst voor de natuur, vind ik wel van meer uitheemse bomen en planten denk maar aan de acacia ook een boom die weg moet maar zo een grote aanwinst is, maar dat beseffen de zo gezegde natuurliefhebbers niet. Deze boom geeft bloemen, dus nectar voor de insecten net als er niks te vinden is. Jammer dat ze daar nooit bij stilstaan.