“Het zaadvaatje van de familie”
Blaassilene – Silene vulgaris (Bladder Campion)
U kunt door een enkele blik op de bloemetjes te werpen zien hoe de Blaassilene aan zijn Nederlandse naam komt. De bloemen hebben een sterk opgeblazen kelk. De Latijnse soortnaam vulgaris betekent ‘gewoon’ en heeft niks met vulgariteit te maken. Om de Latijnse soortnaam meer karakter te geven worden ook wel de namen Silene inflata en Silene cucubalus gebruikt.
Inflata betekent ‘opgeblazen’ en cucubalus betekent ‘duivenkrop’. Met duivenkrop wordt waarschijnlijk een opslagplaats in het darmkanaal van de duif bedoeld. Deze krop zal ook een opgeblazen vorm hebben, vanwaar de creatieveling deze Latijnse naam bedacht had. Met de Nederlandse naam Duivenkrop wordt normaal gesproken het plantje Gewone duivenkervel Fumaria officinalis bedoeld.
Als u de overgebleven opgeblazen kelk van de Blaassilene in de herfst goed bekijkt, dan zult u zien dat de wind de kelk veranderd in een strooibekertje en de zaden in de rondte strooit. Maai deze soort sowieso niet tussen mei en september indien u wilt zien wat voor leven dit bekertje in de rondte strooit en de soort in de buurt graag in leven wilt houden. Als u meer wilt lezen rondom de levens die dit zaadvaatje rondstrooit, leest u dan verder!
De Blaassilene wordt ongeveer een halve meter hoog en overleeft meerdere winters met behulp van zijn wortelstok. De stengels komen vanuit een verbogen en diep wortelende (tot soms wel één meter diepe) wortelstok recht omhoog en zijn aan de basis soms iets verhout, maar dit is geen halfheester (Zie: Bitterzoet). Op de knopen van de stengels staan telkens twee tegenoverstaande blauwgroene, meestal langwerpige maar niet al te grote bladeren. Hoger op de plant staan de bladeren niet, maar zitten de blaadjes op de stengel.
Deze blauwgroene blaadjes zijn net zoals de jonge stengels eetbaar als ze tijdens de bloei geplukt worden, bijvoorbeeld in een salade. Ze smaken naar bittere erwtjes en kunnen na tien minuten kook ook in een soep verwerkt worden. Overmatige consumptie is slecht voor de gezondheid vanwege de saponinen die in de plant aanwezig zijn.
Naast saponinen heerst er verdeeldheid onder de wetenschappers over de erkenning van overige ingrediënten van de Blaassilene. De helft van de wetenschap toont aan dat er vitamine E te ontdekken is in Blaassilene, terwijl de andere helft aan wetenschappers dit niet erkent. Vitamine E stimuleert bij de mens de aanmaak van rode bloedcellen en spierweefsels. Vitamine E heeft net zoals C een belangrijke rol in de weerstand. Ook is vitamine E een antioxidant die vrije radicalen belet schade aan te richten en de mogelijke schade van het door ons ingeademde zuurstof tegengaat. De aanwezigheid van vitamine E zou de consumptie van de plant een gezondere bezigheid maken.
Toch is het aanmoedigen van deze bezigheid niet gepast omdat Blaassilene maar vrij zeldzaam voorkomt in Nederland. In Zuid-Limburg zou consumptie beter opgevangen kunnen worden, want daar komt de soort vrij algemeen voor. Blaassilene is een plant die gebonden is aan een gematigd tot koel klimaat. Oorspronkelijk groeide de plant in Eurazië en in Noord-Afrika, één oorsprong lijkt logischer, maar daar is helaas geen duidelijkheid over te geven.
Er is wel duidelijkheid te geven over de exacte oorsprong van de Blaassilene in Noord-Afrika, dat is namelijk in het Atlasgebergte. Dit gebergte dat zich door Marokko, Tunesië en Algerije uitstrekt wordt opgeduwd door de tektonische werking van de Euraziatische plaat tegen de Afrikaanse plaat. De Blaassilene is dan ook een plant die op hellingen goed kan groeien. Blaassilene kan ook op enigszins stenige plaatsen voorkomen in bergen of op de Nederlandse spoorwegterreinen. Tevens is de plant soms te ontdekken in bermen, zeeduinen, holle wegen, graslanden en als pionier op braakliggende gronden. Als pionier op bijvoorbeeld droge, voedselarme grond kan Blaassilene een standplaats zo omvormen dat hij geschikter wordt voor andere plantsoorten. Hoe hij dit precies doet blijft een geheim.
Blaassilene is waarschijnlijk ooit in Nederland terechtgekomen met behulp van de mens. Zo is hij inmiddels ook ingeburgerd (Zie: Amerikaanse kruidkers) in Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. In Nederland bloeit hij van mei tot en met september. Deze bloei verspreidt een aangename zoete geur in de natuur. Een geur gelijkend op die van Klaver Trifolium.
Bijen en nachtvlinders houden van deze geur en bezoeken de Blaassilene graag. In vergelijking met de bijen zijn het toch voornamelijk de nachtvlinders die op de bloem te vinden zijn en het meeste de bestuiving veroorzaken. Zo is er bijvoorbeeld een mooie crèmewitte nachtvlinder met donkerbruine aders die de Blaassilene als waardplant heeft. Deze vlinder heet Silenedwergspanner Eupithecia venosata. Dit is een vlinder die de vlinderwerkgroepen door Nederland weinig opwinding bezorgt. Niet om het een of ander, maar het is gewoon zo dat hij te weinig op hun lichtschermen ontdekt wordt. En verder wordt hij sowieso wel weinig gezien. Maar hij vliegt wel degelijk van april tot juni, maar leeft maar één generatie lang.
De klavergeur van de Blaassilene is wat deze nachtvlinder wel sterk aantrekt. Aangezien de Blaassilene zijn waardplant is, leven de rupsen van de Silenedwergspanner van de Blaassilene, maar ook op de Dagkoekoeksbloem Silene dioica. In de opgeblazen bloemen van de Blaassilene kunt u de rupsen van de Silenedwergspanner terugvinden. Ook later in het jaar als deze bloemen omgevormd zijn in de ronde zaadstrooidoosjes, dan kunt u de rupsen hierin zien rondkruipen. Als de winter aanbreekt dan kruipen de rupsjes omlaag, lekker de strooisellaag met bladeren in en wikkelen de rupsjes zich in als een pop tot aan de lente.
De Bruine heide-uil Polia bombycina zoekt in de duinen en andere zandgronden de Blaassilene vaak op en verzorgt ook de bestuiving, maar heeft de plant niet als waardplant. De Witbandsilene-uil Hadena comptais is daarentegen een nachtvlinder die over het gehele land vliegt, maar toch redelijk zeldzaam is. De vrouwtjes van de Witbandsilene-uil kunt u als de avond aanbreekt rond het plantje zien dartelen. De vrouwtjes komen eitjes afzetten op de Blaassilene, want dit is wel haar waardplant.
Als de rupsjes van de Witbandsilene-uil in juni uit de eitjes kruipen, dan gaan ook zij net zoals de silenedwergspanners op zoek naar de balwoningen. Dit doen zij echter alleen maar ’s nachts. In de ronde zaaddoosjes, maar ook op de bladeren eten de rupsen ’s nachts hun buikjes net zo rond als de bolle bloemen. ’s Morgens vertrekken de tevreden rupsjes van de Witbandsilene-uil weer naar de grond en verschuilen zich daar voor rups-etende vogels. In de winter maken de rupsjes een cocon in de grond en verpoppen zich totdat ze in de lente als vlinder worden herboren. De andere waardplant van deze Witbandsilene-uil is trouwens Duizendschoon Dianthus barbatus. Die plant heeft niet van die mooie bolle balhuisjes.
De Duizendschoon is wel een plant uit de Anjerfamilie Caryophyllaceae, net zoals Blaassilene. Om een kleine indruk te krijgen van de Anjerfamilie zal ik u even voorstellen aan een aantal familieleden. Natuurlijk zijn de Ruige anjer Dianthus armeria, Steenanjer Dianthus deltoides en de Karthuizeranjer Dianthus carthusianorum familieleden. Dat klinkt natuurlijk logisch. Aan de namen van andere familieleden is het vaak minder duidelijk te horen.
Zo hebben we bijvoorbeeld neefje Riempjes Corrigiola litoralis in de familie, dit is een plant met vele dunne stengels die met liggende tot aan rechtopstaande takken vanuit een centraal punt uitgespreid op de grond groeit. Deze Riempjes kruipt anders dan andere kruipende planten, zoals de Kruipende boterbloem Ranunculus repens (niet familie), want de kruipende stengels wortelen bij Riempjes nergens de grond in, daarnaast is de kruiprichting ook anders uiteraard.
Daarnaast hebben we het bijzondere kleine nichtje Grondster Illecebrum verticillatum in de familie. Deze heeft ook liggende stengels, maar deze zijn vaak rood van kleur en zijn draadvormig. Deze kruipende stengels kruipen ook vanuit een centraal punt uiteen, maar wortelen ondertussen wel. De Grondster lijkt vaak op een mooie rode ster op de grond. Daar is de familie dan ook erg trots op.
De stengels van een ander anjerfamilielid, vader Bolderik Agrostemma githago, zijn zachtjes behaard tot aan kleverig behaard. Zijn stengels zijn nauwelijks vertakt. De paarse bloem levert later in het jaar giftige zaadjes. Onze cultuur werkt aan de andere kant ook giftig in op de natuur en deze familie. Het natuur-infecterende gif van de cultuur in Nederland heeft een ander familielid, opa Kruismuur Moenchia erecta, in 1982 al uitgeroeid in de lage landen.
De lichtgroene stengels van moeder Watermuur Myosoton aquaticum zijn vierkant. Ook zijn ze kleverig, maar wel ontzettend slap. Ze liggen echt op de grond of ze worden ondersteund door andere planten.
Als ik u meeneem naar de zeeduinen dan vinden we uit de Anjerfamilie oom Scheve hoornbloem Cerastium diffusum en tante Zeepostelein Honckenya peploides. Zeepostelein groeit in plakkaten en heeft vlezige kleine blaadjes. De vele blaadjes groeien kruislings dicht op elkaar. Op andere zandige plekken, zoals op zandverstuivingen leeft een ander familielid, oudtante Heidespurrie Spergula morisonii. Oudtante Heidespurrie heeft blauwgroene bladeren die ook in kransachtige vorm groeien. De bloempjes zijn zeer klein, ongeveer een halve centimeter groot. Naast zandverstuivingen is deze heidespurrie ook op open plekken in de heide te vinden.
De familieleden zoals nichtje Slanke mantelanjer Petrorhagia prolifera en Oma Gipskruid Gypsophila muralis kunt u sowieso moeilijk vinden omdat ze beide zeer zeldzaam zijn in Nederland. De bloempjes van nichtje Slanke mantelanjer zijn klein en babyroze gekleurd. Deze veranderen in een vruchtje. Dit vruchtje van de Slanke mantelanjer zwelt sterk op als hij aan het rijpen is. Uiteindelijk zal de vrucht door de kelk heen scheuren. Oma Gipskruid heeft roze (maar niet babyroze) tot aan witte bloemen met donkerdere nerven. De bloeiwijze is erg ijl met al die hele dunne stengels. Cultivars hiervan zijn minder zeldzaam, want die worden vaak gebruikt voor bruidsboeketten.
Een ander familielid heeft juist weer kleine groen-witte bloemen, die in dichte kluwens tegen elkaar aan staan. We hebben het nu over neef Overblijvende hardbloem Scleranthus perennis. Een andere neef is de Drienerfmuur Moehringia trinerva. Deze soort lijkt wat op andere achterneven en -nichtjes, de muursoorten (Stellaria spec.), zoals achternichtje Vogelmuur Stellaria media, vanwege die witte bloemetjes.
Hij heet Drienerfmuur omdat hij drie, maar soms toch ook 5 parallelle nerven heeft op de blaadjes. Die nerven zijn soms paars aangelopen. De bloemetjes van een andere overgrootmoeder zijn ook soms paars aangelopen, of wit, maar meestal roze. Dit is grootmoeder, Koekruid Vaccaria hispanica! Helaas is zij in Nederland bijna verdwenen.
Wat al deze familieleden exact aan overeenkomsten hebben is moeilijk aan te wijzen. Iedereen is verschillend. Het is wel zo dat de blaadjes vaak tegenoverstaand staan. Als de gekleurde kroonbladen en de groene kelkbladen van de bloemen te zien zijn, dan zijn dit er in deze familie altijd evenveel.
Hopelijk heeft u het leuk gevonden om kennis te maken met Blaassilene en zijn familie. Als u eens in de buurt bent, geeft u dan het zeldzame nichtje Slanke mantelanjer of het zeldzame oma Gipskruid de groeten van de Blaassilene.

Wat mooi,