Rustig sluip ik naar de stenen rand van de waterput. Vrezend voor een onverwacht monster spiek ik over de rand omlaag. Een groot zwart gapend gat staart me recht in het gezicht. Slikkend voel ik de koude keien onder mijn vingers. Ik volg een sprankeling hoop en ik spring ermee over de rand het gat in.

Het ronde venster met de blauwe lucht en onschuldige wolkjes wordt snel opgeslokt door de zwarte koker, terwijl de binnenkant van de put zich aan mijn gezichtsveld opdringt. Al vallend vergroot de donkerte zich en slokt de hemelcirkel op. De val neemt het contact met de hemel met de tijd verder van me af. De opgedrongen nacht verslindt me zonder dat ik er iets van voel, op de kriebels in mijn buik na.
De val houdt niet op en lijkt langzaam te verdwijnen. Als de lucht is verdwenen en ik samenvloei met de nacht en met de oneindige diepte van de put, voel ik de eenheid met de plek waar ik ooit vandaan kwam.
Die plek in de diepte waar jij ook vandaan komt. Die plek die aanvoelt als het thuis van mijn thuis en het thuis van mijn thuisgevoel.
Daar waar mijn innerlijke essentie als een singulariteit in eeuwigheid woonde. Daar is de plek waar ik al die mensen, die ik ooit ergens van leek te kennen, in oorsprong al ken. Kennen in een warm lichtloos licht.
Uit deze put ontspringen alle dromen.
Lang, lang geleden klom God uit deze put, en hij begreep de hemel. De put is als de vader van God en als de moeder van onze Grote Godin.
Gooi ik mezelf overboord, mijn gedachtes laat ik los en dan val ik. Ik merk mezelf vast te willen grijpen aan die ene collega die vandaag onzeker uit haar ogen keek. Ik grijp me vast aan de herinnering van een gevoel.
Het is hoop waarmee ik mijn mentale ankers durf te laten verwaaien. Hoop op de betekenis van Het Pad. Een diep vertrouwen dat dit míjn bestaan is.
Samen zijn we één, samen, geen.
