Wat is het verschil tussen bomen en struiken?

“Uiteindelijk blijf ik spelen in de bosjes en is mijn fantasie het enige dat ik werkelijk heb.”

Struiken van jeneverbes Juniperus communis te midden struikheide en naaldbomen

“Zullen we in de bosjes gaan spelen?”, vroeg ik aan mijn vriendjes. Voor de kleine versie van mij betekende dit lol, avontuur, creativiteit, lichaamsbeweging, vriendschap, acrobatiek, allerlei emoties en een hele boel fantasie.

Het woord ‘bosjes’ gebruik ik al lang niet meer. Het is een correcte term, maar ik spreek tegenwoordig over heesters, bosplantsoen of ‘gewoon’ struiken. Om helder met elkaar te communiceren is het handig aan iedere term een eenduidige definitie te koppelen. Wat zeg ik?

Uit een oneindige lijst met bomenvragen die ik graag wil beantwoorden wil ik een eerste vraag kiezen om te beantwoorden. Ik start met het beantwoorden van een fundamentele bomenvraag: ‘Wat is het verschil tussen bomen en struiken?‘.

Om de gedachtegang van het verschil te kennen is het vertrekpunt de overeenkomstigheid.

Struiken en bomen hebben overeenkomsten met elkaar, maar hebben dit ook met overige organismen. Zo delen struiken en bomen de eigenschap met overige plantensoorten dat ze zich niet voortbewegen en fotosynthese vertonen. Ook hebben de planten boven- en ondergrondse lichaamsdelen.

Overeenkomstig met overige organismen, zoals organismen uit het dieren- of schimmelrijk, is bijvoorbeeld het aangaan van een samenspel met andere organismen en met abiotische factoren. Er ontstaat een samenspel van interactie waardoor er een levend systeem ontstaat, genaamd het ecosysteem.

Struiken en bomen zijn fanerofyten. De fanerofyt is een houtig organisme binnen het plantenrijk met winterknoppen die zich minstens 50 cm boven de grond bevinden. Alle lager dan 50 cm uitgroeiende struiken worden dwergstruiken genoemd. Dwergstruiken worden tijdens flora-inventarisaties genoteerd als aanwezig binnen de kruidlaag.

Geelgroene knoppen van Colorado zilverspar Abies concolor

Het verschil tussen bomen en struiken is dat struiken een groeivorm aannemen waarbij één kroon door verschillende takken en bladeren gevormd wordt met aan de basis hiervan veel verschillende stammen. Deze verschillende stammen ontspruiten weer uit één wortelgestel. Een boom maakt een volledige kroon boven op één (relatief tot de struikstammen) dikke stam. Om correct te blijven is nuancering nodig: Een boom kán een volledige kroon op één stam ontwikkelen. Soorten die we bomen noemen kunnen toch vaak ontwikkelen als meerstammige boom.

Meerstammigheid bij bomen kan het gevolg zijn van hakhoutbeheer maar kan ook natuurlijk gebeuren. Dit gebeurt wel bij Kaukasische vleugelnoot Pterocarya fraxinifolia (doordat wortelopschot uitgroeit tot bomen), bij zwarte els Alnus glutinosa, sommige levensbomen Thuja spec. (sprake van uitlopers), gewone esdoorn Acer pseudoplatanus of bij grauwe abelen Populus x canescens.

Anderzijds worden natuurlijke struikvormers ook als éénstammig/hoogstam opgekweekt. Dit is te zien bij bijvoorbeeld de smalle olijfwilg Eleaegnus angustifola, de gele kornoelje Cornus mas, sleedoorn Prunus spinosa, krentenboompje Amelanchier lamarckii of bij eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna en andere meidoorns.

Eenstammige groeivormen zijn bij sommige houtige planten echt niet goed mogelijk zoals bij de inheemse hazelaar Corylus avellana, rode kamperfoelie Lonicera xylosteum of bij de vrij zeldzame inheemse zuurbes Berberis vulgaris.

De hazelaarstruik groeit met veel stammetjes van beperkte dikte

Het meenemen van exacte eindhoogte in de onderscheiding tussen struiken en bomen is weinig zinvol aangezien er een vrij groot overlappend gebied is. Kort gezegd is het een waarheid dat struiken vaak een lagere eindhoogte hebben dan bomen. In een natuurlijk bos bestaat de hoogste vegetatielaag uit bomen en is de struiklaag een tussenlaag tussen de kruidetage en de boometage.

Definities zijn nuttig in de communicatie, maar iedere informatieoverdracht blijft een benadering van de werkelijkheid. De werkelijkheid is niet sluitend definieerbaar. In de taal verwijzen we altijd naar termen die in definitie weer doorverwijzen naar andere definities. Alles hangt samen en gaat in elkaar over. We dolen rond in cirkelredeneringen, trachtend de natuur en de werkelijkheid daarvan te vatten. Het is wel mogelijk om naar de waarheid toe of van de waarheid af te bewegen. Dit is bijvoorbeeld waar omdat toepassingen nu eenmaal wél of niet werkbaar blijken. Geleid door dit pragmatisme ontdekken we fracties waarheid. Het fundament onder het geheel aan wetenschap ontbreekt.

Waar we het werkelijk over hebben met elkaar blijft onduidelijk. Uiteindelijk blijf ik spelen in de bosjes en is mijn fantasie het enige dat ik werkelijk heb.

Hoe ervaar ik het verschil tussen bomen en struiken?

Een gedachte over “Wat is het verschil tussen bomen en struiken?

Plaats een reactie