Lange ereprijs

Ik wandelde door de zon over grasveldjes, van standplaatsje naar standplaatsje en van boomschaduw naar boomschaduw. AI! Helaas is er één boom dood. Daar gaat de verkoelende werking van dit levende wezen. Spelende kinderen letten niet op mij en rellen gillend wat rond. De smalle, langgerekte camping ligt langs de oever van dit Luxemburgse riviertje.

Dan ontmoet ik een wonderbaarlijk schoon en bijzonder plantje. Veel hommeltjes en bijtjes vliegen heen en weer, op en neer rond het spitse aartje. Een diep blauw-lila-achtige kleur bekleedt het bloemaartje en richting de bloemtop verzacht de verkleuring naar wit. Stilstaand bekijk ik de bloem vol fascinatie. Dit is iets speciaals. De Schoonheid raakt me diep. Voor mij is de duidelijk zichtbare waarde van de plant voor onze vliegende vrienden een essentieel onderdeel van die Schoonheid. Blij en opgetogen loop ik door.

Zoals de Aarereprijs (Veronica spicata) stijf staat als symboliek van standvastigheid en innerlijke discipline, zo staat dit prachtige zusje, de Lange ereprijs (Veronica longifolia), voor een zachtere, opwaartse beweging. De geleidelijke bloei en de lichte golfbeweging in de bloemaarvorm is als de stroming van een rustig riviertje in een natuurlijk landschap. De innerlijke vloeiendheid doet me smelten, zoals ik ook kan doen wanneer een onschuldig meisje haar liefde toont voor een pasgeboren kuikentje.

In de plant vind ik herkenning. Ik laat het stromen en verfris mezelf. Met de tijd zal datgene zich ontvouwen wat volledig past bij mij. Wie ik ben. In het volledige zelfzijn is dit geen plant van weerstand. Het is een plant die staat, omhooggericht is, maar in verbinding met het moment een vloeiende stelling inneemt. De wilde, zeldzame Lange ereprijs proberen we in onze tuinen na te bootsen om iets van die natuurlijke waarde te kunnen beleven en door te geven.

Een balkonplant glimlacht naar mij en ze weet het. Ik ben aanwezig voor jou.

De waterput

Rustig sluip ik naar de stenen rand van de waterput. Vrezend voor een onverwacht monster spiek ik over de rand omlaag. Een groot zwart gapend gat staart me recht in het gezicht. Slikkend voel ik de koude keien onder mijn vingers. Ik volg een sprankeling hoop en ik spring ermee over de rand het gat in.

Het ronde venster met de blauwe lucht en onschuldige wolkjes wordt snel opgeslokt door de zwarte koker, terwijl de binnenkant van de put zich aan mijn gezichtsveld opdringt. Al vallend vergroot de donkerte zich en slokt de hemelcirkel op. De val neemt het contact met de hemel met de tijd verder van me af. De opgedrongen nacht verslindt me zonder dat ik er iets van voel, op de kriebels in mijn buik na.

​De val houdt niet op en lijkt langzaam te verdwijnen. Als de lucht is verdwenen en ik samenvloei met de nacht en met de oneindige diepte van de put, voel ik de eenheid met de plek waar ik ooit vandaan kwam.

Die plek in de diepte waar jij ook vandaan komt. Die plek die aanvoelt als het thuis van mijn thuis en het thuis van mijn thuisgevoel.

Daar waar mijn innerlijke essentie als een singulariteit in eeuwigheid woonde. Daar is de plek waar ik al die mensen, die ik ooit ergens van leek te kennen, in oorsprong al ken. Kennen in een warm lichtloos licht.

​Uit deze put ontspringen alle dromen.

Lang, lang geleden klom God uit deze put, en hij begreep de hemel. De put is als de vader van God en als de moeder van onze Grote Godin.

​Gooi ik mezelf overboord, mijn gedachtes laat ik los en dan val ik. Ik merk mezelf vast te willen grijpen aan die ene collega die vandaag onzeker uit haar ogen keek. Ik grijp me vast aan de herinnering van een gevoel.

Het is hoop waarmee ik mijn mentale ankers durf te laten verwaaien. Hoop op de betekenis van Het Pad. Een diep vertrouwen dat dit míjn bestaan is.

Samen zijn we één, samen, geen.